Koningin Wilhelmina wordt vaak herinnerd als de standvastige vorstin die met haar radiotoespraken het bezette Nederland moed insprak tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar achter dat beeld schuilt een complexere werkelijkheid. Vanaf haar betovergrootvader Willem I was Nederlands-Indië de economische ruggengraat van de monarchie en Wilhelmina erfde die erfenis, verdedigde haar en liet haar zelden ter discussie stellen.
Een verre vorstin
Wilhelmina heeft nooit één voet op Indische bodem gezet. Hoewel ze als jong meisje te kennen gaf de kolonie te willen bezoeken, bleef het bij woorden. Ze vreesde ziekten, had een afkeer van hitte en kampte met bacillenvrees. In Indië zelf zag men haar deels als mythische figuur, deels met wantrouwen. De Indische pers vergeleek haar ooit met Durga, de krijgsgodin die de destructieve kant van vrouwelijkheid belichaamt.
Een initiatief in 1919 om haar naar de archipel te halen; een petitie met meer dan een miljoen handtekeningen; strandde in Den Haag. De brief aan het paleis raakte “zoek”. Zelfs een latere uitnodiging voor prinses Juliana wees Wilhelmina af: “Daaraan kon voorlopig niet gedacht worden,” noteerde de gouverneur-generaal teleurgesteld.
De ethische politiek
Ondanks haar afstand toonde Wilhelmina wel belangstelling voor de kolonie. Ze bewonderde de militaire aanpak in Atjeh en vereerde ze J.B. van Heutsz, commandant van het koloniale leger. Kritiek op zijn bloedige campagnes negeerde ze. Ook haar lof voor Jan Pieterszoon Coen, verantwoordelijk voor de massamoord op de Banda-eilanden, liet zien hoe diep het koloniale wereldbeeld in haar denken verankerd zat.
Tegelijkertijd geloofde Wilhelmina in de zogenoemde ‘ethische politiek’, die Nederland een “zedelijke roeping” toedichtte om de volkeren van Indië te “verheffen”. In haar troonrede van 1901 sprak ze die gedachte openlijk uit. “Ik heb altijd gedacht dat wij vooral in het belang van de volken daarginds werkten,” zei ze eens verontwaardigd toen iemand opmerkte dat Indië vooral economisch nuttig was. De uitspraak illustreert haar wereldvreemdheid.
De oorlogsjaren
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Wilhelmina in Londen het symbool van nationale eenheid. Haar radiotoespraken spraken velen moed in, maar over het lot van haar onderdanen in Azië zweeg ze grotendeels. De Japanners bezetten Nederlands-Indië; honderdduizenden burgers en krijgsgevangenen leden honger, martelingen en executies. Toch kwam pas in 1942 haar radiorede waarin ze beloofde na de oorlog een rijksconferentie te houden over meer autonomie voor de overzeese gebieden. De tekst was grotendeels van het kabinet — zelf had ze de toon te toegeeflijk gevonden.
Het besef van de offers die ook Molukse en Menadonese KNIL-militairen brachten; mannen die weigerden haar portret te ontheiligen en daarvoor werden onthoofd lijkt haar nooit volledig bereikt te hebben. In 1946 onthulde ze op de Dam het voorlopige nationale oorlogsmonument, waarin ook aarde uit Indië was opgenomen, maar in haar publieke woorden bleef de kolonie een vanzelfsprekend bezit.
Het einde van een tijdperk
Toen Wilhelmina in 1948 aftrad, stond de onafhankelijkheid van Indonesië voor de deur. Over de soevereiniteitsoverdracht sprak ze met geen woord in haar memoires Eenzaam maar niet alleen (1959).



