In november 1944 arriveerde in Londen vanuit het Betuwse frontgebied de Javaanse prins Ario Noto Koesoemo. In zijn memoires Een wereld in beroering beschreef schrijver Johan Fabricius zijn onverwachte en wonderlijke verschijning: “Hij mat nog geen vijf voet en had een kinderlijke maar beminnelijke geest. Een vurig tegenstander van het Hitler-regime, ondergedoken tussen Gelderse boeren.”
Van Solo naar Wageningen
Geboren in 1912 als zoon van Pakoe Boewono X, de soenan van Soerakarta, behoorde Noto tot de hoogste adel van Java. Als tiende zoon had hij weinig vooruitzichten in de hiërarchische wereld van de kraton. Zijn vader stuurde hem, net als zijn broers, naar Europa om te studeren – een koloniale traditie die Javaanse elites toegang gaf tot westerse kennis. In 1927 arriveerde de veertienjarige Noto in Nederland. Hij doorliep de middelbare school, studeerde rechten en later landbouwkunde in Wageningen. Hij was een actieve student, lid van het corps en deelnemer aan toneelproducties waarin hij als “Prins van Oranje” figureerde – ironisch voor een telg uit de Javaanse vorstenhuizen.
Toen zijn vader in 1939 overleed, werd Noto teruggeroepen naar Java, maar hij bleef in Nederland. Zo maakte hij op 10 mei 1940 de Duitse inval mee.
De prins tussen de boeren
Tijdens de bezettingsjaren vond Noto onderdak bij het gezin Van Schaik op boerderij Boterhoek in Heteren, een dorp in de Over-Betuwe. Dochter Bep van Schaik (87) herinnerde zich hem als een kleurrijke man: “Hij had een eigen kamer en een radio, die hij vaak te hard zette. Hij werkte gewoon mee op het land, in plusfours achter het paard en de ploeg.” De Duitsers zagen geen bedreiging in hem en lieten hem ongemoeid.
In het najaar van 1944 werd de Betuwe frontgebied. De geallieerden hadden de Rijn nog niet overgestoken, en Heteren lag precies in de vuurlinie na de mislukte Slag om Arnhem. Noto kwam in contact met Amerikaanse paratroopers en werd vanwege zijn talenkennis ingezet als tolk. Toen koningin Wilhelmina hoorde dat een Javaanse prins zich midden in het frontgebied bevond, liet ze hem overbrengen naar Londen.
In Londen en verder
In Londen werd Noto opgevangen door Johan Fabricius, die hem kende uit Java. Fabricius schetste een ontroerend beeld van zijn gast: een charmante man die Javaanse dansavonden organiseerde in zijn flat, gamelanmelodieën neuriede en met een vleesmes als denkbeeldig zwaard de oude hofrituelen imiteerde. Noto voelde zich geroepen om een rol te spelen in de toekomst van zijn land. Hij beschouwde zichzelf als vertegenwoordiger van een gematigde, vorstelijke traditie binnen het opkomende Indonesisch nationalisme.
Noto Koesoemo werd zonder militaire opleiding tot officier benoemd, vooral als symbolisch gebaar, want veel kreeg hij niet te doen. Voor de American Broadcasting System in Europe sprak hij radioboodschappen in het Javaans in, bedoeld om tegenwicht te bieden aan Japanse propaganda.
Na de bevrijding reisde hij naar Australië om zich voor te bereiden op terugkeer naar Java, maar bij aankomst daar in 1945 was het politieke landschap onherkenbaar veranderd. De Republik Indonesia was uitgeroepen, en zijn geboortestad Solo verkeerde in chaos. De oude vorst Pakoe Boewono XI was overleden, en de nieuwe heerser, Pakoe Boewono XII, worstelde met radicale jeugdbewegingen die het hof en de adel als koloniale overblijfselen beschouwden.
Noto bevond zich opnieuw tussen twee werelden. In de ogen van onafhankelijkheidsstrijders werd hij gezien als vertegenwoordiger van het oude gezag. Volgens Fabricius ontsnapte hij aan een poging tot ontvoering door revolutionairen, verkleed als oud vrouwtje. In 1946 keerde hij kort terug naar de Betuwe, waar hij het gezin Van Schaik bezocht. Daarna vertrok hij definitief naar Midden-Java om les te geven aan de Landbouw Hogeschool in Klaten.
Zijn positie bleef precair. De Nederlandse autoriteiten overwogen hem als mogelijke troonopvolger van Solo, maar bestempelden hem laatdunkend als “een belachelijk jongmens”. De Republiek wantrouwde hem evenzeer; hij werd korte tijd gevangen gezet wegens kritiek op de leiders. In een brief aan zijn Betuwse vrienden schreef hij dat hij tijdens zijn gevangenschap had ontdekt dat hij zieken kon genezen door handoplegging.
Een raadselachtige dood
Kort daarna werd hij opnieuw slachtoffer van de oorlog. In december 1948, tijdens de Nederlandse Tweede Politionele Actie, werd Solo bestookt. Volgens zijn broer werd Noto op 20 december door Nederlandse militairen op straat doodgeschoten. Fabricius noteerde: “Hij liep tussen de schietpartijen door, overtuigd dat hem niets kon overkomen; een onder de gouden Soenan-ster geborene.”
Toch blijft de waarheid onduidelijk. Op die dag waren er nog geen Nederlandse troepen in Solo; misschien werd hij getroffen door terugtrekkende Republikeinen. Zijn lichaam werd bijgezet in de kraton van zijn voorvaderen.
Tekst: Victor Laurentius



