Nederlands-Indië in oorlog: “Iedere Nederlands sprekende vrouw die achterbleef is vermoord”

Geplaatst in: Identiteit, Portret
Privéfoto: Carla als 21-jarige vrouw

De 87-jarige Indische Carla Schutte behoort tot de slinkende groep Indische Nederlanders die de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië heeft meegemaakt. Ze was acht toen ze de eerste bom bij de slag om Borneo zag vallen.

Carla werd in 1933 in Djokjakarta geboren uit twee Indische ouders. Ze groeide op in een bevoorrecht milieu waar het haar aan niets ontbrak. Haar vader was hoofd van de Belastingdienst en het gezin werd voor zijn werk geregeld overgeplaatst. De huizen waren ruim en smaakvol, er waren altijd vriendinnetjes om mee te spelen, personeel in overvloed. Aan dit onbezorgde leventje kwam een einde toen Nederlands-Indië betrokken raakte bij de Tweede Wereldoorlog. Japan had dringend olie en vliegtuigbenzine nodig voor zijn in 1937 begonnen (maar nooit officieel verklaarde) oorlog tegen China. Borneo was een aantrekkelijk doelwit. Het was zwak verdedigd en bood veel mogelijkheden voor de winning van aardolie. Deze grondstof was voor Japan cruciaal om de oorlog op de lange termijn te kunnen volhouden. 

Hier volgt Carla’s persoonlijke relaas.

“Ik was acht en een half jaar oud toen de oorlog uitbrak in december 1941. Ik zat bij mijn vriendinnetje Jennie Hofman in de voorgalerij foto’s te bekijken toen wij vliegtuigen hoorden. Wij keken op en zagen de eerste bom op Nederlands-Indië vallen. Ze hadden op de kazerne aan de overkant gemikt, maar die bom viel op een officier die voor zijn woning stond. Vanaf dat moment was er paniek en veranderde mijn leven in een grote chaos. Mijn ouders waren niet thuis, wij waren alleen met de bedienden, die als kippen zonder kop door het huis liepen te gillen. Er was geen tijd om alarm te slaan, het was een verrassingsaanval van de Japanners. De vliegtuigen vlogen boven de wolken en doken plotseling naar beneden terwijl ze gelijk met bombarderen begonnen. We verstopten ons onder het huis. We woonden in Pontianak dat op Borneo ligt en alle huizen zijn daar op palen gebouwd vanwege overstromingen in de Oostmoesson. Dat bombardement heeft uren geduurd. Ze zijn zes keer weggegaan en teruggekomen om verder te bombarderen en te schieten.

Voordat het bombardement begon was mijn moeder met mijn vierjarige broertje Niels aan het winkelen. Het begon te regenen. Ze overwoog om te blijven wachten totdat de regen zou ophouden of er maar doorheen te gaan op haar fiets. Ze besloot tot het laatste. Op de plaats waar zij gewacht zou hebben, is een hele Chinese familie doodgeschoten. Tussen mitrailleurregens door is de vader van mijn vriendin thuisgekomen. Haar moeder heb ik nooit meer gezien.

 

Mitrailleurregens 

Mijn eigen vader is naar huis gegaan, ook door mitrailleurregens, om zich om te kleden in zijn militaire uniform om daarna naar zijn post te gaan als stadswachter. De stads- en landwachten werd gevormd door Europese reserve- en militieplichtigen, die uit hoofde van onmisbaarheid in hun burgerfunctie, van buitengewone opkomst onder de wapenen waren vrijgesteld en aldus ter plaatse van inwoning toch aan de verdediging konden meewerken.

Toen alles achter de rug was stond zowat de hele stad in vuur en vlam, plus drie tankers op de rivier de Kapuas. Mijn vader was gelukkig veilig thuisgekomen. Mijn moeder keek op een gegeven moment uit het raam en zag aan de overkant van de rivier mensen met koffers richting haven gaan. Ze riepen mijn moeder om ook gauw te komen, want om vijf uur ’s avonds zou het schip naar Batavia vertrekken. Als een bezetene heeft mijn moeder een koffer gevuld. Ze was zo in paniek dat ze niet wist wat ze aan het doen was met als resultaat dat ze vijf paar schoenen van mijn broertje in de koffer gooide en ik alleen het paar had dat ik aan had. Ik heb nog wel twee van mijn vele poppen mee kunnen nemen, waarvan ik één tot een paar jaar geleden nog had. Mijn vader bleef achter; geen van de mannen mocht Pontianak verlaten. Ze waren allemaal stadswachters en moesten op hun post blijven.

Carla als peuter met haar ouders en oma

Vluchten

Uiteindelijk vertrok het schip middernacht, afgeladen met vrouwen en kinderen. Elk hoekje en gaatje was bezet. Het was een zenuwslopende tocht. Iedereen was min of meer in shock. Als er gevaar dreigde, moesten wij langs een hele smalle en steile trap naar beneden naar de machinistenkamer.

Er was altijd wel iemand die een vliegtuig dacht te horen en paniek schopte. Tot overmaat van ramp werd de kapitein gek en werd opgesloten. Een officier met een geweer hield voor zijn kamer de wacht. Gelukkig duurde de trip maar twee dagen.Dit was het laatste schip dat Pontianak heeft verlaten.

Vriendinnen van mijn moeder zijn daarna met een houten vissersbootje gevlucht. Iedere Nederlandssprekende vrouw, die achtergebleven is, is vermoord.

Sommigen zijn ter plaatse gekruisigd, zwanger of niet. Anderen zijn eerst gescheiden van hun baby’s, in een kamp gestopt en langzaam vermoord. In ieder geval is geen van hun teruggekomen.

Na de oorlog konden de vaders die het hadden overleefd hun kinderen ophalen bij een Indonesische verpleegster die zich over de kinderen ontfermd had. Een van die kindjes hebben wij even bij ons gehad totdat de vader het ophaalde.

In Batavia aangekomen, zijn wij naar de ouders van mijn vader gegaan. Op een dag kwam er een telegram van mijn vader, waarin hij schreef dat wij daar niet moesten blijven, want dat was te gevaarlijk. “Ga zo hoog mogelijk de bergen in, want dat is veiliger” was zijn advies. De broer van mijn moeder, oom Piet, had een vakantiehuis in Nablak, het hoogste puntje van Midden-Java. Via Semarang zijn wij daarheen gegaan, waar wij een tijdje rustig hebben gezeten. Nou ja, rustig. Mijn moeder was over haar toeren en kon weinig van ons hebben. Wij hadden het daardoor zwaar te verduren, vooral mijn broertje moest het ontgelden.

Goed en slecht bloed

Wij zijn buiten het kamp gebleven dankzij een Duitse grootvader van mijn moeder. Zij is wel verschillende keren opgeroepen om haar “bloed” (figuurlijk) te laten onderzoeken op hoeveel slecht bloed en hoeveel goed bloed ze had. Voordat mijn moeder naar zo’n oproep ging, gaf ze de buurvrouw haar kinderen en het beetje wat ze had, met het verzoek om voor ons te zorgen als ze niet meer terug zou komen. Alles was mogelijk!

Haar vader, Adrianus Schenk, was een Hollander. Dat was 50% “slecht bloed”. Haar Indische moeder Johanna Freytag had Indonesisch bloed, dat was 25% “goed bloed”. Mijn moeders zuster, die in Semarang zat, is wel het kamp ingedraaid.

Opstand

Na de capitulatie van de Japanners werd het gevaarlijk. De Indonesiërs kwamen in opstand, plunderden, verkrachten en moorden. Soms was de straat afgesloten en kon er niemand in of uit. Soms bleek erna, dat er iemand vermoord was of dat ze iemand zochten. Op een avond kwam een auto in volle vaart voorbijrijden met achter zich een schreeuwend persoon vastgebonden aan de auto meesleurend. Afschuwelijk, afschuwelijk!

Ik heb hiervan soms nog nachtmerries.

Zodra de spoorlijn open was, reisden wij naar Batavia via Bandoeng, wat heel onaangenaam begon. Wij waren de enige Indische Nederlanders in de trein. Een Indonesiër beval mijn moeder om haar plaats aan hem te geven of anders zwaaide er wat. Prompt stond een Indische man op en sprong voor mijn moeder in de bres en is de verdere reis bij ons gebleven. Zelfs in Bandoeng heeft hij ons naar het adres gebracht waar wij zouden logeren, want wij konden niet in een keer door reizen naar Batavia.

v.l.n.r. Oom Dick, Carla, neef Leo, Tante Neel en vader Wim

Batavia

Eenmaal terug in Batavia konden wij in een paviljoen tegenover mijn grootouders wonen. Daar heb ik mijn tiende verjaardag gevierd. Ik heb daar nog een herinnering aan in de vorm van een Chinees gemberpotje, dat ik gevuld met snoepjes van een vriendje gekregen heb en dat ik nog steeds als suikerpot gebruik. Via het Rode Kruis kregen wij te horen, dat mijn vader nog leefde en wij naar hem toe konden gaan in Pontianak. Met een militair vliegtuig zijn wij erheen gegaan. De ontmoeting was uitbundig en de eerste dagen waren fijn. Maar al gauw veranderde dat in een pijnlijke toestand, want mijn ouders deden niet anders dan kibbelen. Ze waren elkaar volkomen ontgroeid. Beiden hadden ze zo’n moeilijke tijd achter de rug. Van Pontianak zijn wij weer vrij vlug teruggegaan naar Batavia met z’n vieren. Op de dag dat wij vertrokken zouden de oorlogsmisdadigers in een kooi naar Pontianak gebracht worden en vogelvrij verklaard worden. Dat hebben wij gelukkig gemist.

Toen zijn mijn ouders gescheiden en mijn moeder, mijn broer Niels en ik zijn met het schip de Sloterdijk naar Holland “vervoerd”. Een onbeschrijflijk afschuwelijke reis. Het leek letterlijk op veevervoer. In Holland waren wij ook niet bepaald welkom. Maar dat is een ander verhaal.”

Oproep: wie kan Carla in contact brengen met haar vroegere vriendinnetje Jennie Hofman? Na haar vlucht naar Java heeft Carla haar nooit meer terug gezien. Weet u iets, neem dan contact met ons op via info@meerdanbabipangang.nl.

Verder lezen

Identiteit     Column

Column: Bingo met prijzen

Artikelen

KIS onderzoek: ervaren discriminatie toegenomen door COVID-19

Identiteit     Column

Vilan van de Loo: “Atjehers waren geduchte tegenstanders, geen weerloze mensen.”

Menu