In 1860 telde de Europese bevolking van Nederlands-Indië ruim 22.000 mensen. Van die groep waren er slechts 623 vrouwen die in Nederland waren geboren. Die verhouding was geen toeval: het was decennialang beleid. Het koloniale bestuur hield Europese vrouwen lange tijd bewust buiten de kolonie, en het gevolg was dat de overgrote meerderheid van de Europese mannen in Indië een relatie aanging met een inheemse vrouw. Die vrouw had een naam: njai.
Het woord njai is van Boeginees oorsprong en betekent letterlijk ‘zusje’; een verzachtende term die de werkelijkheid van haar positie verhulde. De njai was concubine én huishoudster én moeder in één. Ze beheerde het huishouden, leerde de man de taal en gewoonten van het land, en beviel van zijn kinderen. Haar juridische status was nul. Ze had geen recht op huwelijk, geen recht op erkenning en geen aanspraak op een deel van het gezamenlijke bezit als de man vertrok of overleed.
Het concubinaat werd door het koloniale bestuur niet alleen gedoogd maar actief aangemoedigd, juist omdat het goedkoper en eenvoudiger was dan het importeren van Europese vrouwen. Historicus Reggie Baay — zelf kleinkind van een njai — beschreef deze geschiedenis in zijn standaardwerk De njai: het concubinaat in Nederlands-Indië (2008). Baay baseerde zich op familieverhalen, koloniale literatuur en archieven. Een van zijn bevindingen: meer dan de helft van de Nederlandse mannen in de vroege koloniale periode leefde in concubinaat met een njai.
In het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) was de praktijk zo ingeburgerd dat er een eigen term voor bestond: de moentji, de njai in de kazerne. Zij woonden op het kazerneterrein en werden officieel aangeduid als ‘huishoudsters’, een eufemisme dat hun seksuele en huishoudelijke taken verhulde achter neutrale bewoording.
De kinderen van njais bevonden zich in een juridisch schemergebied. Als een Europese vader zijn kind erkende, werd het juridisch Europeaan. Deed hij dat niet — wat veelvuldig voorkwam — dan bleef het kind juridisch Inlander, en verdween het in de koloniale administratie samen met zijn moeder. Die moeders zijn daardoor nauwelijks terug te vinden in de archieven; hun levens werden niet geacht bewaring te verdienen.
Pas aan het begin van de twintigste eeuw, toen Europese vrouwen in grotere getale naar de kolonie kwamen en het concubinaat maatschappelijk meer afkeuring begon te ontmoeten, nam de praktijk geleidelijk af. Maar de njais die er dan al zijn, behoren tot de onzichtbare stammoeders van een groot deel van de Indische Nederlanders van vandaag.



