In de jaren dertig verscherpte het Nederlandse koloniale bestuur zijn grip op de nationalistische beweging in Nederlands-Indië. Stakingen, demonstraties en politieke organisaties werden steeds strenger aangepakt. Maar de meest ingrijpende maatregel was er een die nauwelijks sporen naliet in het Nederlandse collectieve geheugen: de internering van politieke gevangenen zonder proces, zonder veroordeling, op basis van een bestuurlijk besluit.
Het instrument heette het exorbitante recht. De gouverneur-generaal kon op grond daarvan iedereen die hij als gevaar voor de openbare orde beschouwde, verbannen of opsluiten zonder tussenkomst van een rechter. Het werd gebruikt tegen communisten na de mislukte opstand van 1926, en daarna systematisch ingezet tegen nationalisten van allerlei pluimage.
Boven-Digoel, een nederzetting diep in de moerassige binnenlanden van Nieuw-Guinea, was de beruchtste bestemming. Opgericht in 1927, werd het een plek waar gevangenen jarenlang, soms decennialang, vastzaten. De omstandigheden waren zwaar: tropische ziekten, isolement, gebrek aan medische zorg. Sommigen stierven er. Anderen verloren hun gezondheid of geestelijke gezondheid.
Soekarno werd in 1929 gearresteerd en veroordeeld wegens opruiing. Na zijn vrijlating volgde ballingschap op Flores en later Bengkulu. Mohammed Hatta en Sutan Sjahrir werden naar Boven-Digoel gestuurd, later overgebracht naar Banda Neira. Hatta beschreef zijn jaren in Banda later als intellectueel productief maar menselijk slopend.
Wat de internering zo cynisch maakte, was de juridische constructie eromheen. Formeel was er geen veroordeling. Formeel waren het geen gevangenen. Ze konden in theorie naar huis schrijven, boeken ontvangen, les geven aan andere geïnterneerden. Maar ze konden niet weg. En niemand buiten de kolonie hoefde er iets van te weten.
Na de Japanse bezetting in 1942 werden veel geïnterneerden bevrijd of vluchtten ze. Ironisch genoeg waren het de Japanners die een deel van de nationalistische leiders vrijlieten die Nederland had opgesloten. Die vrijlating, hoe dubbelzinnig ook, gaf de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging de ruimte om zich opnieuw te organiseren.
De internering van nationalisten was geen randverschijnsel van het koloniale bestuur. Het was een centraal instrument van machtshandhaving. Wie dat vergeet, begrijpt niet waarom de onafhankelijkheidsverklaring van 1945 door zovelen werd ervaren als een bevrijding, ook van een systeem dat zijn tegenstanders wegsloot zonder ze ooit voor de rechter te brengen.



