Column: “Mijn oma was een buitenkamper”

Geplaatst in: Identiteit, Column
Gezinsfoto schrijfster uit 1942

We hebben een nieuwe columnist erbij: schrijfster Gerda Hartkamp. Ze debuteerde met haar boek “Van Friese Klei tot tropenuniform”, een waargebeurd historische roman over haar grootouders, dat na veel onderzoek tot stand gekomen. Inmiddels is Gerda begonnen aan haar tweede historische boek. Op Meer Dan Babi Pangang zal vanaf vandaag regelmatig een bijdrage van haar hand verschijnen.

“Mijn oma was een buitenkamper. Het begrip buitenkamper komt uit de tijd van de Japanse bezetting. Er werden tijdens deze bezetting veel mensen, vooral Nederlanders, geïnterneerd. Allereerst werden militairen gevangenen genomen en in kampen geplaatst. Al snel werden daarna alle Nederlandse mannen vanaf zeventien jaar in kampen gezet, later werden zelfs vrouwen en kinderen naar een tampat perlingdoegan (berschermingswijk) begeleid. Deze zogenaamde beschermde wijk veranderde al snel in een omheind kamp dat ze niet mochten verlaten en dat steeds voller werd. Communicatie tussen de verschillende kampen was onmogelijk.

Halverwege de bezetting werden de jongens al vanaf hun elfde jaar bij hun moeder weggehaald en naar het mannenkamp gebracht. Inheemse mensen hoefden zich niet te melden.

Onder buitenkampers werden vooral Indische echtgenotes van Nederlandse militairen met hun halfbloed kinderen bedoeld. Zij werden niet geïnterneerd omdat ervan werd uitgegaan, dat zij zich met de Japanse identiteit zouden vereenzelvigen. Mijn oma was zo’n buitenkamper.

De algemene mobilisatie werd direct na de oorlogsverklaring van Nederland aan Japan op 8 december 1941 aangekondigd. Sinds die dag had mijn oma haar man nog enkel tijdens een bezoek gezien. Hierbij gaf hij de djongos (knechten) het bevel een schuilkelder voor mijn oma en de kinderen te maken. Hier zaten zij tijdens de bombardementen in angst bij elkaar te wachten tot het voorbij was.

Nederland capituleert op 9 maart 1942. Vanaf dat moment wordt mijn opa geïnterneerd. De eerste twee maanden kan mijn oma nog gebruik maken van zijn soldij. Maar als dit op raakt moet ze op zoek naar goedkopere huisvesting. Ze verkoopt bijna al haar meubels aan een Chinese toekan botol (opkoper).

Na een zoektocht vindt ze een ander huis op de Javastraat waar ze een kamer met haar vijf kinderen betrekt. Als een paar maanden later de opbrengst van de meubels opraakt gaat ze op zoek naar werk, terwijl haar moeder op de kinderen let. Ook de oudste zoon, op dat moment nog maar elf jaar, gaat aan het werk.

De inlandse bevolking is pro-Japan en kijkt Indo’s en de ‘verrader’, de echtgenoten en nazaten van een Belanda (Hollander) met de nek aan. Kinderen van Belanda’s zijn niet langer welkom op school en zelfs thuisstudie is strafbaar. Zij verliezen als gevolg hiervan hun vriendjes en vriendinnetjes die niet meer met hen mogen spelen.

Iedereen moet een pendafteran (persoonsbewijs) aanschaffen om te bewijzen dat ze Indische voorouders hebben, om zodoende niet als gezin geïnterneerd te worden. Halverwege de bezetting geldt dit alleen nog voor hen van wie de Indische voorouders tenminste zeven generaties teruggaan. De pendafteran moet worden aangepast, waardoor een zoektocht naar oude geboortebewijzen begint.

Het wordt een harde strijd om te overleven. De Japanse bezetter hanteert steeds zwaardere regels en regeert met harde hand. Niet buigen voor een Japanse militair, ongeacht zijn rang, wordt bestraft met een afranseling om het even welke leeftijd of gender. Op het beledigen van een Japanse soldaat staat de doodstraf, zo ook op diefstal. Zelfs diefstal uit de tuinen van lege woningen wordt niet getolereerd. Toch is dit iets wat mijn oma de kinderen regelmatig opdraagt om te doen. Ze heeft geen keus. Haar loon is te laag om al die monden te voeden en het voedsel in de tuinen kost niets. De soldaten blijken een zwak te hebben voor kleine kinderen die er vaak vanaf komen met een oorvijg. Daarom neemt zij het risico haar kinderen groenten uit de verlaten tuinen te laten ‘stelen’.

Wie verdacht wordt van heulen met de vijand wordt opgepakt door de kempeitai (Japanse militaire politie) en hardhandig verhoord, waarna ze de cel of de dood worden ingestuurd. De verhalen over de ondervragingen zijn zo extreem dat mijn oma zich afvroeg of het wel echt waar kon zijn. Nu weten we inmiddels dat de verhalen verre van overdreven zijn. De kempeitai was uitzonderlijk wreed. Zo wreed, dat zelfs als je niets fout had gedaan, je de zogenaamde daad wel moest toegeven en iemands naam moest noemen. Hierdoor werden vele onschuldig gemarteld en geëxecuteerd.

Een echtgenote van een Nederlandse militair die werd betrapt op het houden van mannenkleding in huis, kon hetzelfde lot beschoren zijn. Al deze zaken maakten het leven buiten de kampen gevaarlijk en onvoorspelbaar.

Na de oorlog gaat alle aandacht naar de mensen die in het kamp hebben gezeten, maar buiten de kampen was een leven ook geen knip voor de neus waard. Mijn oma overwoog zelfs om zich vrijwillig bij een kamp te melden in de hoop dat ze daar verzekerd zouden zijn van voedsel. Gelukkig heeft ze dit niet gedaan, want ook de situatie in de kampen was erbarmelijk.

Auteur Gerda Hartkamp

 

 

Verder lezen

Column     Historie

Column: Zijn herinneringen aan Indië betrouwbaar?

Interviews
#gemeenteraadsverkiezingen

Hadassa La van ChristenUnie Amsterdam: ‘Ik wil kwetsbare mensen een stem geven en ervoor zorgen dat ze ook gehoord worden’

Boeken     Column     Historie

Drie tips om meer te weten te komen over je KNIL-(voor)vader

Menu