Column: Ook Japanse njai’s

Geplaatst in: Column

Vilan van de Loo is onderzoekster en schrijfster. Haar interesse gaat uit naar het oude koloniale Indië. Daar schrijft ze bij voorkeur haar boeken over. Ze is ook initiatiefnemer van ‘De Indische Schrijfschool’. Elke week verschijnt er een nieuwe column van haar hand.

Valt het u ook op? De laatste tijd is er meer aandacht voor de voormoeders in families. Voormoeders als in: de njai’s, de concubines van Europese mannen. Inheems waren deze voormoeders niet altijd. Zij waren ook Chinees en ook Japans. Wanneer u een voormoeder in de familie heeft, is het lang niet gemakkelijk om iets meer over haar leven te weten te komen. Maar niet onmogelijk.

U kunt boeken opsporen over de tijd waarin zij leefde. Lin Scholte beschreef een lange periode van eind negentiende eeuw tot na de oorlog. Michel Ketelaars noemt in zijn Compagniesdochters: vrouwen en de VOC de afkomst van Sarah Specx, dochter van Jacques Specx en een Japanse njai. Reggie Baay schreef: De njai. Er zijn meer boeken, niet alleen non-fictie maar ook fictie.

Zo is er de merkwaardige en interessante roman uit 1904 van Louise B.B.: Janneke de Pionierster.  In 1914 werd het boek herdrukt, dus na tien jaar was er nog steeds een belangstellend publiek te vinden. Het is in dit boek, dat een Japanse njai verschijnt. Alleen: het is een roman. Louise B.B. kende Indië, maar toch. Een roman is waar en niet waar tegelijkertijd. Janneke de Pionierster is een feel good roman, optimistisch van toon, en toch of juist behandelt het zware onderwerpen. Het moet een soort voorlichting zijn geweest voor de Hollandse vrouwen die naar de Oost trokken. Janneke, de heldin van het boek, was dat ook.

Als getrouwde vrouw komt ze in het denkbeeldige Rameleh terecht. Een mannengemeenschap, lijkt het. Bij de chef van haar man blijkt een jonge Japanse vrouw te wonen. Eerst voelt Janneke afweer, wegens het onfatsoenlijke van de situatie. Maar het contact tussen beide vrouwen ontwikkelt zich.

Yum-Yum is de enige die Janneke bijstaat na een zware ziekte en een miskraam:

Yum. . . ., zeg mij. . ., is . . . het . . . dood, dood geboren?”

Yum met smartelijk vertrokken gezichtje antwoordde knikkend: “O ja, nonja, saja, nonja!”

“Vertel. . . hoe kwam het ?”

“Op een nacht. . . ., door de erge “sakit demum” van de nonja,” zeide toean dokter!”

[…]  “Neen, neen, niet roepen, niemand roepen. . . . Kijk, het is al over immers, ik zal niet meer huilen! ”

Ik had met stugge bevelende stem gesproken, een poos lag ik doodstil, mij trachtend te bedwingen, toen zeide ik op korten toon: “Ga nu maar naar je werk, ik heb je niet meer noodig hier!”

Die ‘korten toon’ is ongepast na al het meeleven en zorg van Yum. Het laat daardoor iets zien van de koloniale verhoudingen van die tijd. Tegelijkertijd biedt de schrijfster Louise B.B. ruimte voor een uitweg. Aan het einde van de roman is de verhouding tussen de twee vrouwen gelijkwaardiger. Yum-Yum gaat trouwen, wat voor haar bestaanszekerheid en status betekent.

Dus u ziet, romans zijn spiegels van de tijd van toen. Indien u een voormoeder heeft die u nergens in de archieven kunt vinden, zoek dan in oude romans verhalen en beschrijvingen. Het is fictie, inderdaad, maar wel ergens op gebaseerd.

Verder lezen

Column

Column: Molukse familieopstelling onthult blokkade

Cultuur     Identiteit     Column     Historie

Column: “Een gekleurd mens wordt als minder gezien”

Column

Column: Wies van Groningen (1929-2022) leefde in twee gescheiden werelden

Menu