Een vergeten catastrofe
Het was een van de grootste massamoorden van de twintigste eeuw, maar decennialang een taboeonderwerp in Indonesië en daarbuiten. In 1965 en 1966 werden naar schatting een half miljoen tot een miljoen mensen vermoord – vermeende communisten, linkse sympathisanten, Chinezen, vakbondsleden, studenten en gewone burgers. De golf van geweld volgde op een mislukte staatsgreep in de nacht van 30 september 1965, en markeerde het begin van de 32 jaar durende dictatuur van generaal Soeharto.
Hoewel de gebeurtenissen zich afspeelden in de context van de Koude Oorlog, werd het bloedbad lange tijd stilgezwegen in internationale geschiedschrijving. Slechts langzaam, via films als The Act of Killing en het onderzoek van historici als Geoffrey Robinson en John Roosa, komt de ware omvang van deze tragedie aan het licht.
De lont in het kruitvat – De G30S-coup
Na de onafhankelijkheid in 1949 kampte Indonesië met economische chaos, hongersnood en politieke instabiliteit. Drie machtsblokken domineerden: het leger, de islam en de communistische partij PKI, destijds de grootste buiten China en de Sovjet-Unie. President Soekarno probeerde deze krachten in evenwicht te houden met zijn “geleide democratie”, maar zijn flirt met het communisme en zijn autoritaire beleid maakten hem kwetsbaar.
In de nacht van 30 september 1965 ontvoerde een onbekende groep zes generaals van het Indonesische leger. Zij werden later dood teruggevonden – een gebeurtenis die bekend werd als de G30S-coup. Generaal Soeharto, destijds commandant van de strategische reserve, greep onmiddellijk de macht. De PKI werd verantwoordelijk gesteld, hoewel tot op heden onduidelijk is wie er werkelijk achter de staatsgreep zat.
Voor Soeharto vormde de chaos een perfect excuus om af te rekenen met zijn politieke tegenstanders en zich te profileren als redder van de natie.
De jacht op de “roden”
Vanaf oktober 1965 begon een ongekende campagne van geweld. Soldaten, lokale milities, islamitische jeugdorganisaties en paramilitaire bendes zoals Pemuda Pancasila trokken het land door om vermeende communisten uit te roeien. In dorpen en steden werden dodenlijsten verspreid; buren verrieden elkaar, vaak uit angst of wrok.
De moordpartijen namen een apocalyptische omvang aan. Op Java, Bali en Sumatra werden duizenden mensen vermoord en in massagraven gedumpt. Martelingen, verkrachtingen en vernederingen waren wijdverspreid. Propaganda speelde een cruciale rol: radio en kranten verspreidden het verhaal dat communisten niet alleen atheïsten, maar ook kindermoordenaars waren. De moord op de dochter van generaal Nasution werd zo een symbool van ‘PKI-wreedheid’, hoewel historici later aantoonden dat het een ongeluk was.
De hand van het Westen
Nieuw onderzoek laat zien dat de massamoord niet los gezien kan worden van de Koude Oorlog. De Verenigde Staten en Groot-Brittannië zagen Soeharto als de ideale bondgenoot tegen het communisme in Zuidoost-Azië. Uit vrijgegeven documenten blijkt dat de Amerikaanse ambassade lijsten met vermeende PKI-leden aan het leger overhandigde.
Ook Nederland bleef niet geheel buiten schot. Journalist Aad van den Heuvel onthulde dat de Nederlandse jezuïet Joop Beek een belangrijke adviseur van Soeharto was en hielp bij de opbouw van zijn anticommunistische netwerk. De Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) deelde bovendien informatie over Indonesische studenten en diplomaten met de CIA en MI6. Hoewel Nederland formeel buiten de operatie stond, was het indirect betrokken bij het klimaat van angst en vervolging.
De stilte van het Westen na de slachting was oorverdovend. De genocide werd gezien als “noodzakelijk” voor de stabiliteit van de regio – een moreel failliet dat nog steeds schaduwen werpt.
Stilte en propaganda – De erfenis van Soeharto
Na zijn officiële machtsovername in 1967 vestigde Soeharto zijn Orde Baru, de Nieuwe Orde. In dit autoritaire regime werd het verhaal van 1965-1966 herschreven: de coup was een communistische terreurdaad, de massamoorden een heldhaftige redding van de natie.
Decennialang leerden schoolkinderen dit officiële narratief, ondersteund door films, musea en verplichte vertoningen van de propagandafilm G30S/PKI. Slachtoffers en hun families werden gestigmatiseerd, uitgesloten van werk, studie en maatschappelijke functies. Pas na de val van Soeharto in 1998 durfden overlevenden te spreken – maar hun verhalen bleven controversieel.
In 2012 verklaarde de Indonesische mensenrechtencommissie Komnas HAM de gebeurtenissen tot “ernstige schendingen van de mensenrechten”. President Joko Widodo erkende dit in 2023 en betuigde spijt – een symbolische, maar belangrijke stap. Toch weigert het Indonesische leger tot op heden verantwoordelijkheid te nemen.
Conclusie – Een open wond
De gebeurtenissen van 1965-1966 vormen een litteken dat nog altijd voelbaar is in de Indonesische samenleving. Achter elk officieel monument schuilt een verzwegen graf, achter elke schoolles een verdoezelde waarheid. De vraag wie werkelijk achter de staatsgreep zat, blijft onbeantwoord.
Was het een communistisch complot, een interne militaire operatie of een spel van buitenlandse inlichtingendiensten? Misschien was het alles tegelijk – een tragedie geboren uit angst, macht en geopolitiek.
Wat resteert, zestig jaar later, is een morele opdracht: erkennen, herdenken en begrijpen. Zolang het bloedbad van 1965 in de schaduw blijft, kan Indonesië geen recht doen aan zijn verleden – en blijft de wereld medeplichtig aan dit stilzwijgen.
Tekst: Victor Laurentius



