In het New York Agreement van 1962 was een clausule opgenomen: uiterlijk in 1969 zouden de Papoea’s mogen stemmen over hun toekomst: bij Indonesië blijven of onafhankelijk worden. Die belofte, het enige wat de Papoea-bevolking overhield van de overdracht, werd in 1969 omgezet in wat de wereld de ‘Act of Free Choice’ noemde en wat critici sindsdien de ‘Act of No Choice’ noemen.
Indonesië weigerde een volksreferendum op basis van één persoon, één stem. In plaats daarvan werd een musyawarah gehouden — een traditioneel overlegcircuit — waarbij 1.025 door de Indonesische regering handpicked vertegenwoordigers spraken namens 800.000 Papoea’s. Die vertegenwoordigers stemden unaniem voor aansluiting bij Indonesië. VN-waarnemer Fernando Ortiz-Sanz legde in zijn eindverslag vast dat de vrijheid van meningsuiting, van beweging en van vergadering tijdens het proces niet in acht waren genomen; een schending van het New York Agreement.
Desondanks ratificeerde VN-secretaris-generaal U Thant de uitkomst. De Algemene Vergadering nam er kennis van zonder nader debat. Geen enkele staat verwierp de procedure formeel. Nederland, dat de Papoea’s zelfbeschikking had beloofd, zweeg. Onder druk van economische belangen (Nederlandse bedrijven die zaken deden in Indonesië) en van de westerse bondgenoten die Indonesië stabiel wilden houden, kozen Nederlandse politici ervoor de farce te accepteren.
De OPM, de Organisasi Papua Merdeka, was al in 1965 opgericht als gewapende verzetsbeweging. Nadat het referendum volledig was omzeild, groeide ze uit tot de drager van de Papoease onafhankelijkheidsbeweging — verdeeld, slecht bewapend, maar nooit volledig gebroken. In 2018 ondertekenden 1,8 miljoen Papoea’s — meer dan 70 procent van de bevolking — een petitie voor een eerlijk zelfbeschikkingsreferendum. Die petitie werd bij de VN ingediend en niet behandeld.
West-Papua is tot op de dag van vandaag grotendeels gesloten voor buitenlandse journalisten en onderzoekers. Mensenrechtenorganisaties documenteren structurele schendingen: gedwongen verdwijningen, marteling van activisten, militaire operaties in afgelegen berggebieden. Nederland speelt nauwelijks een rol in het internationaal debat hierover — een stilte die Papoea-leiders als Gerardus Thommey, die vanuit Den Haag zijn strijd voortzet, beschrijven als verraad.



