Eén van de minder bekende naschokken van de overdracht van Nederlands-Nieuw-Guinea aan Indonesië in oktober 1962 was een macabere operatie: het repatriëren van zestien gesneuvelde Nederlandse militairen. De Nederlandse regering vreesde dat de nieuwe Indonesische autoriteiten het vervoer van de lichamen zouden tegenhouden. Daarom werd in allerijl besloten om nog vóór 1 oktober de stoffelijke resten terug te brengen – per vliegtuig, niet per schip. De opdracht ging naar reserve-majoor Albert Westenburger, hoofd van de Gravendienst van het Ministerie van Defensie.
Hoewel zeer ervaren besefte Westenburger amper wat hem te wachten stond. De omstandigheden in het tropische Nieuw-Guinea maakten de missie tot zijn zwaarste ooit. De zestien militairen lagen verspreid over afgelegen locaties – Merauke, Fakfak, Kaimana, Sorong en Biak – elk slechts bereikbaar per boot of klein vliegtuig. Onder tijdsdruk en bij extreme hitte moest zijn team de lichamen opgraven, balsemen met formaline en opnieuw kisten in zinken bekistingen voor luchttransport.
Zijn rapportage schetst een expeditie vol absurdistische taferelen. Zo trof Westenburger bij aankomst in Hollandia de bekende moppentapper Max Tailleur, die halsoverkop het gebied probeerde te verlaten. Overal zag hij tekenen van een haastig vertrek: verlaten huizen en rijen auto’s die wachtten op verscheping.
Bij de eerste opgraving in Merauke trof Westenburger lichamen aan die door het keiharde ‘ijzerhout’ van hun kisten nauwelijks waren ontbonden. Zodra de kisten werden geopend, verspreidde zich een verstikkende stank en zwermen vliegen. “Van het aantrekkelijke van de gravendienst blijft weinig over,” noteerde hij, “als men gebukt in tropische hitte en een onbeschrijfelijke stank werkt.” Elk lichaam werd behandeld met formaline, dat het ontbindingsproces tijdelijk stopzette.
De lokale Papoea’s die hielpen bij het graafwerk, kregen sigaretten en blikjes cola als beloning. Westenburger schreef dat hij ze graag had meegenomen, “want ze werkten beter dan menig Europees soldaat.”
De tweede fase van de missie leidde naar Sorong, waar vier lichamen werden geborgen. Tijdens de bootreis kwam Westenburger toevallig een schip tegen waarop artiesten Mieke Telkamp en Willy Alberti op de terugweg naar Nederland waren. Bij de graven in Sorong bleken de kruizen verwisseld te zijn, wat het werk compliceerde.
In Biak, het laatste station, waren de omstandigheden nog erger. Westenburger noteerde dat zelfs op tweehonderd meter afstand van de begraafplaats een reukbeschermer nodig was. Onderweg kwamen er drie slachtoffers bij: een geëlektrocuteerde marineschrijver, een verongelukte matroos en een overleden pasgeboren baby.
Op 6 oktober 1962, één week na de formele overdracht van Nieuw-Guinea, stonden de kisten klaar op het vliegveld van Biak. Een DC-7 van de KLM bracht de stoffelijke resten na een reis van ruim twaalfduizend kilometer naar Soesterberg. Daar meldde dagblad Het Binnenhof: “Achttien in Nieuw-Guinea gesneuvelde en verongelukte militairen zijn vannacht op vaderlandse bodem teruggekeerd. Zij zullen in hun eigen woonplaats met militaire eer worden begraven.”
Voor majoor Westenburger was de missie voltooid, maar de herinnering bleef. “Zelfs met klodders sambal,” schreef hij, “waren de geurresidu’s niet te verdrijven.” Zijn toewijding, vakmanschap en menselijkheid maakten van deze operatie meer dan een logistieke prestatie – het was een laatste eerbetoon aan mannen die anders zouden zijn vergeten.
Auteur: Victor Laurentius



