Toen de Molukse KNIL-soldaten en hun families in 1951 in Nederland aankwamen, brachten ze weinig mee. Geen bezittingen, geen zekerheid over de toekomst, geen duidelijk perspectief op terugkeer. Wat ze wel meebrachten, en nooit verloren, was hun geloof.
De Molukse protestantse kerk, de Gereja Protestan Maluku, was al in de zeventiende eeuw gevormd door het contact met de VOC en de Nederlandse zending. Het protestantisme was diep verankerd in de Ambonese en Molukse identiteit, verweven met taal, muziek, gemeenschapsstructuur en het gevoel van wie je was. In Nederland werd de kerk het kloppend hart van de diaspora.
In de woonoorden waar de Molukkers werden ondergebracht, werden al snel eigen kerkdiensten georganiseerd. Er waren geen eigen gebouwen, maar er was een Nederlandse kerk die bereid was ruimte te bieden, en er waren eigen voorgangers die de diensten leidden in het Maleis of het Ambons. Die diensten waren meer dan religieus. Ze waren de plek waar de gemeenschap bijeen was, nieuws werd gedeeld, besluiten werden genomen en de band met het vaderland levend werd gehouden.
De kerkmuziek speelde daarin een aparte rol. Molukse kerkkoren stonden bekend om hun klank, hun meerstemmigheid en hun repertoire van gezangen die deels uit de Nederlandse zendingstijd stamden maar in Molukse handen een eigen karakter hadden gekregen. Die muziek reisde mee naar Nederland en bleef klinken in gymzalen, gemeenschapscentra en later in eigen kerkgebouwen.
Naarmate de gemeenschap wortel schoot in Nederland, veranderde ook de kerk. De tweede generatie groeide op met het Nederlands als voertaal. Diensten werden tweetalig. Vragen over identiteit, over de RMS, over integratie, vonden hun weg naar de kansel.
Vandaag zijn er tientallen Molukse kerkgemeenten verspreid over Nederland. Ze zijn kleiner dan vroeger, de derde en vierde generatie zijn lang niet altijd nog actief lid. Maar de kerk is voor velen nog steeds de plek waar het Molukse gemeenschapsgevoel het meest tastbaar is. In een land dat hen nooit echt heeft verwelkomd, was het geloof wat bleef.



