Lang voordat Java volledig onder koloniale controle was, raakte Nederland verwikkeld in een conflict op Sumatra dat het zelf nauwelijks had gezocht maar niet meer kon loslaten. De Padri-oorlog, die van 1821 tot 1837 duurde, begon als een interne Minangkabause strijd over religie en macht, en eindigde als een koloniale verovering.
De Padri’s waren islamitische hervormers die in het begin van de negentiende eeuw terugkeerden van de hadj met ideeën die waren beïnvloed door het wahhabisme. Ze wilden de Minangkabause samenleving zuiveren van wat zij beschouwden als onislamitisch gedrag: gokken, opiumgebruik, hanengevechten en de adat, het gewoonterecht dat in de Minangkabause cultuur vrouwen een centrale positie gaf in erfopvolging en grondbezit.
De adat-aanhangers, de traditionele elite van hoofden en adel, verzetten zich. Toen de Padri’s geweld gebruikten om hun hervormingen op te leggen, doodden zij in 1815 een groot deel van de koninklijke familie van Pagaruyung. De adat-elite richtte zich tot Nederland om hulp.
Nederland greep in, aanvankelijk voorzichtig, maar steeds dieper. De militaire campagnes waren zwaar en bloedig. Het terrein, de binnenlanden van Sumatra met hun wouden en ravijnen, was ongunstig voor een Europees leger. De Padri-leider Tuanku Imam Bonjol, een guerrillastrijder van formaat, hield Nederland meer dan een decennium aan het werk.
In 1837 werd Imam Bonjol gevangengenomen door middel van een onderhandeling die uitliep op bedrog: hij werd uitgenodigd voor overleg en vervolgens gearresteerd. Hij stierf in 1864 in ballingschap op Sulawesi. In Indonesië is hij een nationale held, zijn gezicht staat op het biljet van vijfduizend roepia.
De Padri-oorlog laat een patroon zien dat in de koloniale geschiedenis steeds terugkeert: Nederland schuift aan bij een intern conflict, kiest één partij, en gebruikt die samenwerking als rechtvaardiging en springplank voor bredere koloniale controle. Wat begon als steun aan de adat-elite eindigde in de volledige inlijving van de Minangkabause gebieden in Nederlands-Indië. De adat-elite had om hulp gevraagd en haar autonomie verloren. De Padri’s hadden gevochten voor een islamitische samenleving en werden verslagen door een christelijke koloniale macht. Iedereen verloor, behalve Nederland.



