Repatriëring betekent letterlijk: terugkeren naar het vaderland. Maar voor de overgrote meerderheid van de Indische Nederlanders die tussen 1945 en 1968 naar Nederland kwamen, was dit land een vreemd continent. Ze waren geboren in Batavia of Bandoeng, Semarang of Surabaya. Ze spraken Nederlands maar hadden nooit een Hollandse winter meegemaakt, nooit rijpblad gerekend, nooit in een flat op de negende verdieping geleefd.
De repatriëring voltrok zich in golven. Tussen 1945 en 1950 kwamen circa 100.000 mensen: overlevenden van Japanse interneringskampen en slachtoffers van de Bersiap, de gewelddadige chaos rondom de proclamatie van de Indonesische onafhankelijkheid. De opzet was tijdelijk verblijf om bij te komen, om daarna terug te keren. Maar slechts een kwart keerde daadwerkelijk terug. Na de soevereiniteitsoverdracht in 1949–1950 volgde een tweede golf: ambtenaren, KNIL-militairen en hun gezinnen die hun baan en hun toekomst verloren. Na ‘Zwarte Sinterklaas’ in december 1957, toen Indonesië meer dan 700 Nederlandse bedrijven nationaliseerde, kwamen er nog eens tienduizenden. En in 1962, bij de overdracht van Nieuw-Guinea, de laatste golf.
In totaal kwamen ruim 300.000 mensen. Ze werden opgevangen in contractpensions, in voormalige werkkampen als Westerbork en Vught, in kasteeltjes en pensions. De omstandigheden waren soms schamel: kleine zolderkamertjes, onverwarmde ruimtes, onbegrip van Nederlandse verhuurders en buren. ‘Hoe komt het dat je zo goed Nederlands spreekt?’ — die vraag, door mevrouw Mulder-Keller jaren later opgetekend, vatte de onwetendheid samen. Men wist er in Nederland nauwelijks iets van.
De komst van de Indische repatrianten werd in de media lang neergezet als een ‘geruisloze integratie’. Onderzoeksjournalist Griselda Molemans betoogde later dat dit een mythe was: de integratie was allesbehalve geruisloos, maar zij voltrok zich binnenshuis, in stilte, uit een diep verlangen om erbij te horen.



