Educate Yourself

De Sultans van Yogyakarta en Solo – hoe de vorstendommen overleefden onder koloniaal bestuur

Geplaatst in: Geschiedenis
foto: Sultan Hamengkubuwono IX van Yogyakarta

Terwijl de VOC en later het koloniale bestuur de meeste Javaanse vorstendommen ontmantelden, reduceerden of simpelweg wegvaagden, overleefden twee ervan in een bijzondere constructie: het Sultanaat van Yogyakarta en het Vorstendom Solo, officieel het Sunanaat van Surakarta. Ze bleven bestaan, maar tegen een hoge prijs.

Na de Java-oorlog van 1825 tot 1830, de grote opstand onder leiding van Prins Diponegoro, trok Nederland de touwtjes strak aan. De vorstendommen verloren hun militaire macht, hun grondgebied werd sterk beperkt en hun financiën kwamen onder toezicht. Wat overbleef, was een hof met ceremonieel gezag, culturele functies en de schijn van onafhankelijkheid.

Nederland had baat bij die schijn. De sultans en sunanans legitimeerden het koloniale bestuur tegenover de Javaanse bevolking. Ze waren de vertrouwde gezichten van gezag voor een volk dat generaties lang was opgevoed in eerbied voor het vorstenhuis. Door hen te handhaven als vazallen, vermeed Nederland directe weerstand die een bruuske afschaffing zou hebben opgeroepen.

De sultanshoven werden centra van Javaanse cultuur. Muziek, dans, batik en wajangtheater floreerden onder hofpatronage. Dit was niet louter esthetiek: het was ook politiek. Cultuur was het domein waar de vorsten nog iets te zeggen hadden, en ze investeerden er royaal in.

Sultan Hamengkubuwono IX van Yogyakarta nam tijdens de onafhankelijkheidsoorlog een opmerkelijke positie in. Hij steunde de Republiek openlijk, bood Yogyakarta aan als tijdelijke hoofdstad en financierde de Indonesische strijdkrachten deels uit eigen middelen. Zijn loyaliteit aan de Republiek was geen vanzelfsprekendheid: hij had ook kunnen kiezen voor de veiligheid van een deal met Nederland. Dat hij dat niet deed, maakte hem tot een van de meest gerespecteerde figuren uit de onafhankelijkheidsstrijd.

Na 1949 werd Yogyakarta een speciale regio met de sultan als gouverneur, een constructie die tot op heden bestaat. Solo koos een andere weg en verloor gaandeweg zijn politieke betekenis.

Wat de voortdurende aanwezigheid van de sultanshoven laat zien, is hoe koloniaal bestuur werkte via coöptatie en indirecte controle. De sultans overleefden niet ondanks het kolonialisme, maar door ermee samen te werken. Dat ze daarbinnen ruimte schiepen voor cultuur en identiteit, is hun verdienste. Dat die ruimte hen door Nederland was toebedeeld om stabiliteit te bewaren, is de andere kant van hetzelfde verhaal.

Verder lezen

Identiteit     Interviews     Expressie

Iris van Santen over intergenerationeel trauma: ‘Bij mij kwam veel emotie los waarvan ik niet wist dat het er was’

Column     Historie

Column: “5 mei vind ik niet helemaal Bevrijdingsdag”

Interviews

Educate yourself

Neowa en Jasmijn schrijven profielwerkstuk over Molukse kwestie en willen excuses regering: ‘Mijn familie heeft kisten die altijd zijn dichtgehouden omdat ze serieus dachten dat ze terug zouden gaan’