Educate Yourself

Drie tonen uit één akkoord – De broers Van Dongen over muziek, afkomst en herinnering

Geplaatst in: Cultuur
Rob en Peter van Dongen met hun moeder - eigen archief

In Bersama Magazine, Tjampoer-editie verscheen onlangs een opmerkelijk interview met drie broers die elk op hun eigen manier hun Indische afkomst, familiegeschiedenis en kunstenaarschap vormgaven: Arnold (1964) en de tweeling Rob en Peter van Dongen (1966). Het gesprek leest als een familiekroniek in drie stemmen, waarin muziek, identiteit en herinnering voortdurend door elkaar klinken.

De drie werden geboren in Amsterdam. Hun moeder, Peggy Anita Kneefel (1941), arriveerde in 1952 vanuit Makassar met haar moeder, Engelina Kneefel-Ong – oma Lien – en twee zusjes in Nederland. Hun grootvader, Henri Kneefel, was een KNIL-militair die tijdens de Japanse bezetting in kamp Teling bij Manado terechtkwam. “Hoewel hij was gewaarschuwd dat hij moest vluchten wanneer een Indonesische bewaker hem zou vragen een patjol, een spade, te halen – wat betekende dat je je eigen graf moest graven – deed hij dat niet,” vertelt Peter in het interview. “Hij werd op 16 augustus 1945 onthoofd door de Japanners.”

De Indo-familie Kneefel

De broers spreken met warmte, maar ook met ironie over hun familie. Wanneer het gesprek in Bersama Magazine komt op de herkomst van de naam Kneefel, ontspint zich een levendige discussie. De familie zou teruggaan tot een zekere Knöfel die in 1749 in Batavia arriveerde en later op Ternate trouwde met een lokale vrouw. De oudste broer, Arnold, houdt zich op de achtergrond: “Vanaf hun geboorte was het duidelijk dat het met de rust wel gedaan zou zijn,” zegt hij droog.

Hun moeder Peggy ontmoette in Nederland hun Hollandse vader op het Christelijk Lyceum in Hilversum, maar scheidde van hem in 1972. De broers groeiden op in de Rivierenbuurt in Amsterdam, in een huishouden waarin oma Lien een centrale rol speelde. “We hebben altijd contact gehouden met onze vader, maar zij waren de ankers” vertelt Rob.

Naast Molukse wortels hebben de Van Dongens ook Chinese voorouders. “Onze Peranakan-Chinese overgrootvader Boen Hian Ong trok vroeger langs de eilanden om prullaria te verkopen,” vertelt Peter. Die mengeling van afkomst en geschiedenis vormt de ondertoon van hun levensverhaal – onuitgesproken, maar altijd aanwezig.

Muziek als erfgoed

Het interview in Bersama Magazine opent met een citaat van schrijver Alfred Birney: “Een Indo zonder gitaar is als een treurwilg.” De broers Van Dongen doen dat gezegde eer aan. Arnold, gitarist bij Ilse DeLange en bekend van Loïs Lane en Total Touch, richtte op de middelbare school de ska-band The Original Talkatives op, samen met zijn broers. Arnold speelde gitaar, Rob toetsen, Peter drums. Inmiddels hebben ze allemaal een of meer gitaren in huis.

Arnold herkent in de Indische muzikanten die hij bewondert – van Chris Latul tot Erwin Java en Eddie van Halen – iets ongrijpbaars. “Ze hebben allemaal dat eigen ritme, dat lijkt op de gamelan,” zegt hij. “Die Indo-vibe hoor je in hun timing, in hun humor en hun passie.”

De broers kozen ieder hun eigen pad. Rob, aanvankelijk toetsenist en componist bij Loïs Lane, werd later een vooraanstaand entertainmentadvocaat. Peter verliet het Montessori Lyceum voor de Grafische School en werd striptekenaar, bekend van Rampokan en later Blake & Mortimer. “Ik was al vanaf mijn jeugd gefascineerd door stripboeken,” zegt hij.

youtube plaatshouder afbeelding

De schaduw van het verleden

In hun jeugd spraken de Van Dongens nauwelijks over het voormalige Nederlands-Indië. “Je best doen en succes hebben was het credo,” zegt Rob. Hij was de eerste die zich in hun afkomst verdiepte. “Toen ik zestien was, las ik voor school Oeroeg en Max Havelaar, en kreeg ik via mijn vriendin in Den Haag contact met Indo’s. Sindsdien lees ik alles wat daarover verschijnt.”

Peter vertelt hoe één jeugdverhaal van hun moeder hem later op onderzoek dreef. “Ze vertelde dat ze in 1950 in Makassar was gebombardeerd door de Nederlanders. Toen ik aan Rampokan begon, wilde ik weten wat er echt gebeurd was. Het bleek de Indonesische marine te zijn geweest, die een staatsgreep van KNIL-militairen probeerde te voorkomen.”

Die ontdekking leidde tot een jarenlange zoektocht naar de geschiedenis van zijn familie. Hij reisde naar Makassar, Manado en Ternate. “Er waren veel naambordjes met Kneefels op Ternate,” vertelt hij. “Na de rellen van 1999 zijn die grotendeels verdwenen.” Voor de Indonesische uitgave van Rampokan reist hij er nog geregeld heen.

Rob zocht zijn familiegeschiedenis op zijn eigen manier. Als advocaat had hij weinig tijd, maar zijn belangstelling voor Indonesië bleef. Toen zijn dochter tijdens haar tussenjaar het graf van haar overgrootvader niet kon vinden op het Ereveld Menteng Pulo in Jakarta, bleef hij aan de telefoon tot ze het had gevonden.

Over afkomst en identiteit

De broers groeiden op in een tijd waarin huidskleur nog vaak aanleiding was voor scheldwoorden. “We werden weleens voor ‘vuile Zuid-Molukker’ uitgemaakt,” herinnert Rob zich. “Eerder was het ‘pinda’ of ‘poep-Chinees’. Tijdens corona hoorde ik ‘corona-Chinees’. Maar het is wel Amsterdam – we hebben er nooit echt onder geleden.”

Hun moeder leerde hen begrip te hebben voor de Molukse gemeenschap, zeker tijdens de treinkapingen in de jaren zeventig. “Ze keurde het af, maar ze begreep hun woede,” zegt Arnold. De broers groeiden op met het besef dat ze ‘ook bruin waren’ – een identiteit die ze pas later ten volle gingen verkennen.

Dekolonisatie en erfenis

Over de dekolonisatie hebben Rob en Peter duidelijke, maar genuanceerde opvattingen. “Daar werd vroeger nooit over gesproken,” zegt Rob. “We begrijpen de passie van de jonge generatie die zich daar nu in vastbijt, maar we proberen de geschiedenis in zijn geheel te zien. Er zijn verschrikkelijke misstanden geweest, maar niet alles was zwart-wit.”

Wat Rob stoort, is de stilte van de overheid. “Er lijkt al zeventig jaar alles aan gedaan te worden om de misstanden in de doofpot te houden.” Peter knikt instemmend. “Onze generatie probeert dat verleden eindelijk onder ogen te zien, maar zonder te oordelen over onze ouders of grootouders.”

De broers van nu

Arnold houdt zich in het interview geregeld afzijdig. “Het is meer dat deze twee altijd doorgaan,” zegt hij met een glimlach. “Ik luister gewoon. Dat deed ik al toen ze geboren werden.”

Alle drie hebben ze een Nederlandse partner en geen van hen werd arts, zoals oma Lien ooit hoopte. Toch denken ze dat ze trots op hen zou zijn. Hun grootvader Henri ontving postuum een militaire onderscheiding, en de broers koesteren het plan om samen met hun inmiddels 84-jarige moeder terug te reizen naar Manado en Ternate.

De familie Van Dongen – drie broers, één geschiedenis – beweegt zich tussen werelden, tussen akkoorden van verleden en heden. Zoals Arnold het samenvat: “We zijn verschillend, maar als we samen spelen, klinkt het meteen goed.”

Tekst: Victor Laurentius

Verder lezen

Cultuur

Bersama Filmfestival: Meer Dan Babi Pangang en vele andere films te zien!

Identiteit     Artikelen

Commotie rond kranslegging terecht?

Column

Column: Het zwijgen doorbreken is dekoloniseren