De vrouwen die verdwenen
“Onna, onna,” riepen Japanse soldaten in 1942 voor de deur van het missiehuis van de Zusters Franciscanessen in Sambas op Borneo. Het Japanse woord voor ‘vrouw’ werd de aankondiging van een van de gruwelijkste hoofdstukken uit de Tweede Wereldoorlog: de systematische dwangprostitutie van meisjes en vrouwen in door Japan bezette gebieden. Het systeem werd niet gedoogd, maar georganiseerd, met medeweten van de legerleiding en de keizer zelf. Wat in militaire taal werd aangeduid als “comfort stations” – trooststations – was in werkelijkheid een netwerk van bordelen waarin naar schatting tweehonderdduizend vrouwen, vaak nog kinderen, tot seksuele slavernij werden gedwongen.
In Nederlands-Indië trof het niet alleen inheemse meisjes, maar ook Europese vrouwen. De Japanners gebruikten het woord jugun ianfu: letterlijk “vrouwen die troost bieden aan het leger”. Achter de term ging een regime van uitbuiting, marteling, ziekte en moord schuil. De slachtoffers werden gelokt met beloften van werk als serveerster of fabrieksarbeidster, maar belandden in barakken waar zij dagelijks door tientallen militairen werden verkracht. Wie ziek werd of zwanger raakte, verdween.
Van karayuki tot oorlogssysteem
Japan kende al eeuwenlang gereguleerde prostitutie. Vanaf de zestiende eeuw bestonden gemeentelijke prostitutiewijken, later ook export van Japanse vrouwen naar het buitenland, het karayuki-systeem. Onder druk van het Westen werd dat in 1920 verboden, maar militaire noodzaak bracht het terug. Tijdens de invasie in Mantsjoerije in 1932 richtte het Japanse leger bordelen op om geslachtsziekten en “onbeheerst gedrag” te voorkomen. De “oplossing” bleek effectief en lucratief: soldaten betaalden tot twintig procent van hun loon voor een uur seks, geld dat rechtstreeks in de staatskas vloeide.
Toen Japan in de jaren veertig zijn veroveringen uitbreidde, werd het systeem mee geëxporteerd. In China, Korea, de Filipijnen, Birma en Nederlands-Indië ontstonden tientallen van deze bordelen. Het gebruik van beroepsprostituees maakte al snel plaats voor dwang: jonge vrouwen werden opgepakt, verhandeld, ingezet.
Nederlands-Indië
Onderzoeksjournalist Griselda Molemans beschreef in Levenslang oorlog (2020) hoe de Japanse bezetter ook in Indië een fijnmazig netwerk van militaire bordelen opzette. De marine beheerde de buitengewesten, het leger Java en Sumatra. In beide gevallen werden lokale dorpshoofden en ondernemers ingeschakeld bij het “werven” van vrouwen – een eufemisme voor ontvoering. Soms hielpen Nederlanders die hoopten zo aan internering te ontkomen.
Opvallend is dat alleen in Nederlands-Indië ook Europese vrouwen op grote schaal werden ingezet. Meer dan zeventigduizend inheemse en Europese vrouwen, onder wie veel Indo-Europeanen, werden tot prostitutie gedwongen. In kamp Gedangan bij Semarang haalden Japanners in 1944 tweehonderd meisjes weg voor “keuring”. Toen bij een volgende poging de vrouwen zich verzetten, werden ze met knuppels en gaspijpen geslagen.
Een van hen was Jan Ruff O’Herne, een 21-jarige uit Ambarawa. In haar boek Fifty Years of Silence (1994) beschreef ze hoe ze drie maanden lang dagelijks werd verkracht. Praten was onmogelijk: openheid zou het leven van haar ouders in gevaar brengen.
De erfenis van schaamte
De schaamte bleef decennialang. Pas in 1991 durfde de Koreaanse Kim Hak-Sun als eerste publiekelijk te getuigen. Haar moed maakte de weg vrij voor anderen. In Nederland deden fotograaf Jan Banning en journalist Hilde Janssen hetzelfde met de documentaire Omdat wij mooi waren (2010). En in het boek Geknakte bloem(2013) vertelden acht Nederlandse vrouwen anoniem over de vernederende ervaringen en het onbegrip na de oorlog.
Voor Japanse militairen had de verkrachting van Europese vrouwen een extra betekenis: wraak op de koloniale overheersers. Dat maakte de vernedering dubbel. Velen die overleefden bleven zwaar getraumatiseerd; zelfmoord was geen uitzondering, zoals in het geval van de moeder van zangeres Liesbeth List.
Overleven en veroordelen
Sommigen zochten bescherming bij Japanse officieren. In Een bende op Java (2005) beschreef Peter Schumacher de relatie tussen de Indo-Europese Carla Wolff en de officier Hiroshi Nakamura. Zulke verhoudingen werden vaak ingegeven door lijfsbehoud: voedsel, veiligheid, onderdak. De vrouwen werden “Jappenhoeren” genoemd, een beladen term die geen recht deed aan hun onvrijheid.
Kinderen uit zulke relaties groeiden na de oorlog op in zwijgen. De vereniging Sakura schat dat er zo’n tweeduizend “kinderen van de vijand” in Nederland leven. Velen weten pas op latere leeftijd wie hun vader was.
Na 1945 bleven de meeste daders onbestraft. Slechts enkele Japanse militairen werden veroordeeld voor verkrachting of dwangprostitutie; de meesten kwamen in 1949 vrij. Voor de slachtoffers volgden decennia van stilte, zonder erkenning of compensatie.
Geld en verontschuldiging
Recente onderzoeken, onder meer door Follow the Money, tonen dat de dwangprostitutie in Indië ook financieel gewin opleverde. Na de oorlog stonden rekeningen ter waarde van 165,5 miljoen euro (nu) nog open bij lokale banken, waaronder de Nederlandsche Handelsmaatschappij. Wat er met dat geld gebeurde, is onbekend gebleven.
In 1992 vond de Japanse historicus Yoshimi Yoshiaki documenten die de directe betrokkenheid van het leger bewezen. Een jaar later bood kabinetssecretaris Yohei Kono namens Japan excuses aan, gevolgd door de oprichting van het Asian Women’s Fund in 1994. Het fonds keerde een symbolisch bedrag uit aan 285 slachtoffers, onder wie vrouwen uit Nederland en Indonesië. Maar in Korea en Taiwan werd het gewantrouwd: het zou geen echte schuldbekentenis zijn.
Tien jaar later was het fonds opgeheven. In 2012 probeerde premier Shinzo Abe de Kono-verklaring zelfs te herzien. Nog altijd maakt Japan bezwaar tegen monumenten voor de slachtoffers, zoals het geplande beeld in Amsterdam.
Terug naar de stilte
De Japanse schoolboeken zwijgen opnieuw over het systeem dat honderdduizenden vrouwen verwoestte. De geschiedenis lijkt zich te sluiten over wat nooit echt is opengelegd. De slachtoffers die nog leven, strijden niet om geld, maar om erkenning – dat het verhaal niet meer wordt weggeschreven onder de verzachtende term troostmeisjes.
Want wat bedoeld was als “comfort”, betekende in werkelijkheid de vernietiging van levens. Wie vandaag nog “troostmeisje” zegt, herhaalt de taal van de dader. De juiste woorden zijn de enige troost die rest.
Tekst: Victor Laurentius



