Dat de samenleving in het voormalige Nederlands-Indië doordrongen was van racisme, is inmiddels algemeen bekend. In het recente debat over het koloniale verleden staan vooral identiteit, discriminatie en onderdrukking centraal en gaat het zelden over geld.
De socioloog Jan Breman (1936) – al decennialang een van de scherpste denkers over arbeid en kolonialisme – laat daarentegen in zijn essaybundel Kolonialisme en racisme. Een postkoloniale kroniek (2021) zien hoe dat systeem van economische macht en raciale hiërarchie de koloniale agenda dicteerde.
Kapitaal boven moraal
Breman toont hoe economische belangen en politiek racisme hand in hand gingen. Zo was de zogenoemde “beschavingsmissie” waarmee Atjeh eind 19e eeuw werd veroverd, volgens hem niets anders dan een rookgordijn. De werkelijke reden? Het weren van American Standard Oil uit de olierijke regio.
Tussen 1888 en 1914 had ongeveer een derde van de Nederlandse Kamerleden directe financiële banden met het koloniale bedrijfsleven. De belangenverstrengeling was openlijk en schaamteloos: politici die tijdens hun loopbaan de ondernemingen ter wille waren, kregen na hun aftreden lucratieve commissariaten als dank. “De ene hand wast de andere,” schrijft Breman droogjes.
Parallelle werelden van geweld
De bundel beslaat zowel Nederlands-Indië als Belgisch Congo – twee verschillende imperia, maar met vergelijkbare structuren van uitbuiting. In beide koloniën werden klokkenluiders genegeerd en rapporten over misstanden weggemoffeld. Een van de meest ontluisterende voorbeelden is het Rhemrev-rapport uit 1903, waarin de officier van justitie J.T.L. Rhemrev de mishandeling van koelies op de Sumatraanse plantages tot in detail documenteerde. Zijn conclusie: het “disciplineren” van arbeiders kwam neer op structureel geweld. Het rapport verdween in de la.
In Congo was de situatie nog gruwelijker. Breman beschrijft hoe het geweld onder het bewind van Leopold II een systeem op zichzelf werd: afgehakte handen, gedwongen arbeid, moordpartijen en de angst die zich nestelde in de cultuur. Onder de bevolking deden verhalen de ronde dat in de Europese conservenblikken geen rundvlees, maar mensenvlees zat. Cornedbeef als koloniale horror.
De doorwerking van toen naar nu
Breman toont hoe het koloniale verleden niet is afgesloten, maar doorwerkt in hedendaagse maatschappelijke ongelijkheid. De houding van Nederland en België ten opzichte van dit verleden noemt hij “ongemakkelijk en ontwijkend”: liever herdenken we abstracte waarden dan economische feiten. Zijn essays zijn compact maar intens, soms bijna overdadig in de hoeveelheid feiten, cijfers en citaten.
Kolonialisme en racisme is geen licht verteerbare kost. De lezer krijgt pagina na pagina voorgehouden hoe vanzelfsprekend racisme en uitbuiting waren ingebed in de koloniale economie. Breman laat zien dat racisme geen bijproduct was, maar een noodzakelijke bouwsteen van het koloniale systeem: de ideologische rechtvaardiging voor economische hebzucht.
Wie dit boek leest, ziet onvermijdelijk parallellen met het heden: hoe macht en geld nog altijd bepalen wie gehoord wordt en wie niet. Soms moet je het boek even neerleggen, niet omdat het saai is, maar omdat de feiten te hard binnenkomen. Bremans bundel is een intellectuele mokerslag – en tegelijk een onmisbare bijdrage aan het gesprek over onze koloniale erfenis.



