Hoe Indonesië zijn eigen onafhankelijkheidsstrijd herdenkt (en waarom 17 augustus en 15 augustus zo ver uit elkaar liggen)
Op 17 augustus 1945 riepen Soekarno en Hatta de onafhankelijke Republiek Indonesië uit. Die datum — de Proklamasi — heeft in Indonesië de status van oerknal: nationale feestdag, rood in de kalender, gevierd met vlaggenceremoniën, spelletjes, muziek en massale samenkomst. Het is een dag van trots.
In Nederland is het precies andersom. Hier is 15 augustus — de dag van de Japanse capitulatie in 1945 — de herdenking die telt: de Nationale Herdenking 15 augustus 1945 bij het Indisch Monument in Den Haag. Die dag herdenkt Nederland zijn eigen slachtoffers: militairen, geïnterneerden, de Indische generatie. De Indonesische slachtoffers van de dekolonisatieoorlog die daarna volgde — geschat op tienduizenden doden — zijn daarin lang nauwelijks zichtbaar geweest.
Twee dagen, twee perspectieven, één gedeelde geschiedenis die nauwelijks gedeeld heet te zijn. Hoogleraar Remco Raben (UvA) schreef al in 2015 dat er in de Nederlandse herdenkingscultuur ‘nauwelijks aandacht is voor de Indonesische ingrediënten van deze geschiedenis’. In Indonesië zelf is de Tweede Wereldoorlog — de Japanse bezetting — slechts een episode in een langere strijd. De echte scheidslijn is niet 15 augustus 1945 maar 17 augustus: de dag waarop het Indonesische volk zijn eigen verhaal begon te schrijven.
Die kloof wordt in Nederland langzaam kleiner. Jongeren met Indonesische roots organiseren 17 augustus-vieringen in Amsterdam en andere steden, en claimen een plek in de Nederlandse herdenkingscultuur. De aanduiding ’75 jaar onafhankelijkheid’ die koning Willem-Alexander in 2020 in Jakarta gebruikte — gerekend vanaf 1945, niet 1949 — was in Nederland al in 2005 door minister Ben Bot geïntroduceerd als politieke erkenning: Indonesië was onafhankelijk geworden in 1945, niet pas bij de soevereiniteitsoverdracht in 1949.
In Indonesië zelf is de omgang met het koloniale verleden complex. Het geweld van het Soeharto-regime na de onafhankelijkheid, waaronder de massamoord op vermeende communisten in 1965–1966, de onderdrukking van de Molukken, het geweld in Oost-Timor en West-Papua, heeft de ruimte voor kritisch zelfonderzoek jarenlang beperkt. Mensenrechtenorganisaties als Kontras benutten de Nederlandse Rawagede-uitspraken om ook de eigen postkoloniale mensenrechtenschendingen op de agenda te zetten.



