In Nederlands-Indië was de rechtbank geen neutrale instelling. Het koloniale rechtssysteem was vanaf de negentiende eeuw opgebouwd rond een strikte driedeling: Europeanen, Vreemde Oosterlingen (zoals Chinezen en Arabieren) en Inlanders. Die indeling was niet alleen administratief; ze bepaalde voor welke rechtbank je terechtstond, welke rechten je had, en welke straffen je kon verwachten.
Voor de inheemse bevolking was de landraad de gewone rechtbank, zowel in burgerlijke als in strafzaken. Aan het begin van de negentiende eeuw waren er twee landraden op Java; rond 1874 waren het er 89. Tot 1869 werd de landraad voorgezeten door een bestuursambtenaar zonder juridische opleiding; iemand met directe belangen in de regio die hij berecht. De Europese rechtbanken daarentegen werden geleid door opgeleide juristen.
Het verschil in behandeling was schrijnend. Europeanen kregen bij strafbare feiten doorgaans gevangenisstraf. Inlanders niet. Kettingarbeid — werken in ketens aan wegen en infrastructuur — was een gebruikelijke straf voor de inheemse bevolking, maar voor een Europese veroordeelde ondenkbaar. Lijfstraffen waren voor inlanders evenmin uitzonderlijk.
Voor vrouwen gold een extra laag van kwetsbaarheid. De koloniale samenleving kende een strak genderkader: Europese vrouwen behoorden tot de beschermde bovenlaag, inheemse vrouwen tot de meest rechteloze categorie. Een inheemse vrouw die getrouwd was met een Europese man, verkreeg zijn rechtsstatus, maar een Europese vrouw die trouwde met een ‘inlander’ zakte juridisch af naar de status van Inlander. Dat stond zo in de Gemengde Huwelijken Regeling van 1898. De rechtsstatus van een vrouw was dus direct gekoppeld aan die van haar man, en daarmee aan ras.
Kinderen uit relaties tussen Europese mannen en inheemse vrouwen volgden de status van de vader, maar alleen als die vader het kind erkende. Deed hij dat niet, dan bleef het kind juridisch Inlander en verdween het, in de woorden van officiële koloniale documenten, ‘met zijn moeder in de kampong’. Die zin, een staande uitdrukking in het koloniale bestuur, vatte de positie van de inheemse moeder samen: onzichtbaar, rechteloos, weggeschreven.



