Educate Yourself

Buiten het prikkeldraad

Geplaatst in: Geschiedenis

Nadat Japan in 1942 Nederlands-Indië had veroverd, werden al snel administratieve hervormingen doorgevoerd die eerst de Europeanen Vreemde Oosterlingen, maar in tweede instantie ook de Indo-Europeanen isoleerden en degradeerden tot ongewenst of tweederangs burger, wat uiteindelijk neerkwam op onvrijheid binnen of buiten het prikkeldraad van een Jappenkamp.

Vanaf 11 april 1942 moesten Europeanen en Vreemde Oosterlingen zich melden voor een persoonsbewijs, de pendafteran. Op het kaartje stond ook de ingedeelde “bangsa”: Belanda-totok of Belanda-Indo. Roze voor totoks, blauw voor Indo’s. De criteria verschilden per district, willekeur hoorde erbij. Op 17 mei volgde het arrestatiebevel voor mannelijke totoks van 17 tot 60 jaar. De eerste razzia’s begonnen. Een kleurkaart bepaalde voortaan of je achter prikkeldraad verdween of buiten bleef.

Die registratie diende nog een doel. De bezetter sloot banken, stopte pensioenen en uitkeringen, nam bezittingen van bankinstellingen over en verhoogde belastingen voor Europeanen. De Nanjo Bank nam de plek van de Javasche Bank in; 51 miljoen gulden vloeide weg. Per 1 juni 1942 werden particuliere, niet-Indonesische landerijen gevorderd. Binnen enkele maanden waren totoks economisch en sociaal volkomen geïsoleerd. Intussen werden ook tienduizenden Indo-Europeanen geïnterneerd: doordat hun afstamming “te Europees” was, of als krijgsgevangene. Naar schatting 50.000 Indo’s belandden alsnog in kampen.

Tussen status en armoede

Ongeveer 125.000 Indo-Europeanen bleven buiten het kamp. Op papier waren zij bruikbare schakels in de Groot-Aziatische Welvaartssfeer. In werkelijkheid stonden ze juridisch en sociaal te dicht bij de Nederlanders. Ook voor buitenkampers bleven salarissen uit, pensioenen onbetaald. Vrouwen met een man in krijgsgevangenschap stonden alleen. Ruilhandel, huisnijverheid, moestuinen en gaarkeukens werden overlevingsmechanismen, terwijl voedselprijzen stegen.

Een dagboek uit Batavia, 16 juni 1942: “We hebben reeds drie maanden geen salaris of pensioen. De Hollandse kinderen mogen niet naar school. Ze zetten de mensen uit hun huizen en brengen de meubels naar hun land.” Een maand later moet de moeder van de schrijfster haar trouwring verkopen “om aan eten te komen”.

Propaganda en een apart Kantoor voor de Zaken der Indo-Europeanen konden niet verhullen dat de behandeling hard was, net als tegenover Indonesiërs die massaal als dwangarbeider of troostmeisje werden ingezet. Soekarno’s overtuiging dat de bezetting een tussenfase naar onafhankelijkheid zou zijn, ging gepaard met een zware prijs. Handel stortte in, export en import stokten, fabrieken sloten. De rubberproductie werd in 1943 stilgelegd. Met de economische implosie verslechterde de voedselvoorziening snel. Mislukte rijstoogsten, vooral in 1944, en vorderingen voor het Japanse leger zorgden voor honger.Wijken uit, trekken samen

In Batavia moest men “vanaf de Dambrinkweg tot de Grisseeweg”, noteerde Hertha Anna Hampel op 2 augustus 1944. Verhuizen gebeurde onder toezicht, en men mocht niet veel meenemen. In Semarang meldde mejuffrouw Johanna Janetta Huussen al in augustus 1942 plunderingen en onveiligheid. Het waren vroege signalen van een samenleving die ontwricht raakte.

Tegelijkertijd volgden verordeningen die taal en zichtbaarheid troffen. In Batavia werd ‘Batavia-centrum’ ‘Djakarta’. Per 16 december 1943 mocht op straat geen Nederlands meer worden gesproken. Huussen noteerde in december 1943 de internering van Belgische en Franse vrouwen, en van Indo-vrouwen gehuwd met een totok.

youtube plaatshouder afbeelding

Werk en dwang

Vanaf 1944 verschoof het accent. Speciale Indo-comités zetten buitenkampers in voor werk in werkkampen en landbouwkolonies. Jongeren vanaf zestien moesten zich melden, onder dreiging van straffen. Vanaf januari 1945 werden gerichte razzia’s uitgevoerd. Iedere Indo-Europeaan liep gevaar. De combinatie van angst voor huiszoekingen, arrestaties, seksuele toenadering door Japanse militairen en aanhoudende schaarste maakte het leven buiten het prikkeldraad steeds moeizamer.

Huussen beschreef in maart 1945 hoe de pasars vol vuil lagen en Indonesiërs langs de weg stierven. In juni luidde “dagelijks de doodsklok van Kobong”, het nieuwe deel van de begraafplaats was al vol. “Hoeveel gezinnen zullen straks stukgescheurd zijn, onherstelbaar,” vroeg ze zich af. “Moet dan alles kapot, voor er vrede kan zijn?”

De erfenis van onbetaald verleden

Achterstallige salarissen van buitenkampers werden na 1945 in grote mate niet uitbetaald. De Backpay-kwestie groeide uit tot een symbool van gemiste erkenning. Wie bovendien niet geïnterneerd was geweest, leek ook nog eens minder te hebben geleden.De dagboeken vertellen echter een ander verhaal. Over uitzettingen en samenwoning van drie families in één huis, over kinderen die niet meer naar school mochten, over vernedering en verlies van eigendommen, over onbetaalbaar voedsel.

Stilte met bronnen

De buitenkampers hebben hun geschiedenis lang tussen de regels bewaard. Dagboeken, bewaarde briefjes, kleine aantekeningen. “Vandaag zouden er twintig aan gaan,” noteerde Hampel in maart 1942, wanneer onthoofdingen van rampokkers publiek moesten worden aanschouwd. Het is de nuchtere toon van iemand die toekijkt hoe een stad van naam verandert, hoe een taal uit het straatbeeld verdwijnt, hoe voedsel schaars wordt, hoe angst gewoonte wordt. Buiten het kamp was niet buiten gevaar. Het was leven in de schaduw van een kaartje dat de wereld herdeelde, en in de knellende realiteit van honger, dwang en verlies.

Tekst: Victor Laurentius

 

Verder lezen

Column

Column: Oud Indisch geld

Identiteit     Interviews

Derde generatie

Intergenerationeel trauma veroorzaakt blokkades bij Kim Hoofs, wat maakt dat zij het zwijgen wil doorbreken

Boeken     Interviews

René Oey: “Mijn vader was liever kunstenaar dan apotheker”