Column: ‘Wat de Indische jongen kan als hij wil’, over de neiging om bij voorkeur ‘volbloed Europeanen’ aan te nemen’

Geplaatst in: Column
KITLV (foto ter illustratie) http://hdl.handle.net/1887.1/item:823370
Vilan van de Loo is onderzoekster en schrijfster. Haar interesse gaat uit naar het oude koloniale Indië. Daar schrijft ze bij voorkeur haar boeken over. Ze is ook initiatiefnemer van De Indische Schrijfschool, waarmee ze mensen helpt hun verhaal op papier te zetten. Elke week verschijnt er een nieuwe column van haar hand.

Wat de Indische jongen kan als hij wil: dat stond boven een artikel in het eerste nummer van Onze Stem, per 1 september 1920 het blad van het Indo-Europeesch Verbond. De duizenden leden zullen het hebben gelezen, met gemengde gevoelens, dat wel.

De redactie had de hand weten te leggen op een brief van de administrateur van de grote suikerfabriek Klampok (Banjoemas) aan de directie. Het personeel bestond ‘vrijwel geheel uit Indische jongens’. Daar schreef de administrateur over en allereerst over de tegenwoordige neiging om bij voorkeur Hollandse jongens aan te nemen, de ‘volbloed Europeanen’. Uit de brief:

“Door sommigen is de meening toegedaan bij voorkeur tot aanneming van volbloed Europeanen over te gaan en worden deze dikwijls liefst uit Holland geïmporteerd. Dit is volgens mijn bescheiden mening een zeer verkeerd systeem en bovendien een gevaarlijke politiek. Door het aanstellen van zulke jongelui toch wordt de afstand tussen Javaan en Europeaan steeds groter, terwijl het wantrouwen en de rassenhaat er zeer door bevorderd wordt. Bovendien heeft men 1 grote vijand bijgekregen namelijk de hier geboren Europeaan.”

Onze Stem was hier zeer tevreden over. De redactie vond: “Zij bewijzen tevens dat de Indo een uitmuntende werkkracht kan zijn als hij wil.” Dat ‘als hij wil’ stak. Onder het pseudoniem ‘Een Indische jongen’ verscheen een tegenstuk in De Reflector, het blad van de Indische journalist Dominique Beretty. Deze jongen had het artikel “alles behalve sympathiek” gevonden. En wel hierom:

“Een hoofdje bijvoorbeeld als ‘Wat de Indische jongen kan als hij wil’, is van zoo holle ijdele kwakzalverige klank dat men onwillekeurig denkt: dus de Indische jongen is zóó beroerd dat het wel speciaal vermeld moet worden, dat er ook nog Indische jongens zijn die wèl wat kunnen.”

Dat was een goed punt. Maar de koloniale tijden waren er niet naar, om de capaciteiten van Indische jongens als vanzelfsprekend op waarde te schatten. Mr. Th. Thomas was het die hierop, in Onze Stem, weer een antwoord gaf. Als advocaat en journalist van vooraanstaande kranten van Indië zat hij niet snel om een mening verlegen. Hij schreef onder andere:

“Of het wel speciaal vermeld moet worden dat er ook nog Indische jongens zijn die wèl wat kunnen? vraagt Indische jongen. Mijn antwoord is helaas, ja. En het behoeft niet alleen speciale vermelding, maar bovendien nadrukkelijke scherpe en verzekering. Een verzekering! Een verzekering niet slechts voor een Indische jongen, maar ook en vooral voor zijn mededingers in de harde strijd om het bestaan. Dien concurrenten moet op duidelijke en klemvolle wijze aan het verstand gebracht worden, dat de Indische jongen het vertikt voortaan te zijn als een buigende padi-halm, rijpende voor hen alléén.”

Zo ging mr. Thomas nog even door, ook al had hij nu wel afdoende antwoord verschaft. Het was helemaal in het straatje van Onze Stem. Emancipatie begon met een positief zelfbeeld, en dat werd vervolgens uitgedragen. Wie als Indische wist veel te kunnen, liet zich nooit meer wegdrukken door een Hollandse jongen, hoopte het Indo-Europeesch Verbond.

Verder lezen

Erfgoed     Muziek

Molukse band Massada bestaat 50 jaar

Identiteit

Kijktip: ‘De Afhaalchinees’ onderzoekt de gevolgen van interlandelijke adoptie

Interviews     theater

Yuwi van De Bananengeneratie: ‘Mijn moeder heeft mij vrijheid gegeven. Ik kan daarom alleen maar mijn volledige zelf teruggeven’