Op 20 september 1906 landde een Nederlands expeditieleger op het strand van Sanur, aan de zuidkust van Bali. De aanleiding was een geschil over geplunderde schipbreukelingen, maar de werkelijke reden was simpeler: de noordelijke rijkjes van Bali waren al decennia onder Nederlandse controle, de zuidelijke nog niet. Dat moest veranderen.
Wat volgde, staat in de Balinese en internationale geschiedschrijving bekend als de puputan van Badung. Puputan betekent “het einde”, of letterlijk “afmaken”. Toen het Nederlandse leger optrok naar het paleis van de vorst van Badung, trok de gehele hofhouding, mannen, vrouwen en kinderen in witte ceremoniele kleding, het leger tegemoet. Ze waren gewapend met keissen en lansen. Ze wisten dat ze zouden sterven.
Schattingen van het aantal doden lopen uiteen, maar bewegen tussen de tweehonderd en vierhonderd mensen. Sommigen werden neergeschoten door de Nederlandse troepen. Anderen doodden zichzelf of elkaar, conform de Balinese traditie van eervol sterven boven overgave. Nederlandse officieren stonden met open mond. Fotografen legden de nasleep vast. De beelden gingen de wereld over en veroorzaakten in Nederland consternatie.
Twee jaar later herhaalde het scenario zich in Klungkung, het laatste onafhankelijke vorstendom van Bali. In april 1908 trok de Dewa Agung, de hoogste vorst van Bali, zijn hofhouding naar buiten in een nieuwe puputan. Opnieuw vielen er honderden doden. Opnieuw was de reactie in Nederland er een van schrik, maar ook van rechtvaardiging: de eilanden moesten “gepacificeerd” worden.
Na 1908 was heel Bali onder Nederlands bestuur. De koloniale regering investeerde vervolgens in het behoud van Balinese cultuur en religie, deels uit schuldgevoel, deels als toeristische strategie. Bali werd gepromoot als het “eiland van de goden”, terwijl de herinnering aan de puputan zorgvuldig werd ingekapseld.
In Indonesië worden de puputan herdacht als daden van verzet en waardigheid. In Badung en Klungkung staan monumenten. De Nederlandse rol wordt er niet vergeten, ook al is zij in Nederland zelf nauwelijks onderdeel van het publieke geheugen.



