Geen kolonie functioneert zonder geld. De VOC betaalde haar dienaren in de archipel, financierde militaire expedities, hief belastingen en verhandelde goederen die in guldens werden geprijsd. Maar een coherent bancair systeem ontbrak lang. Toen de VOC in 1799 failliet ging en de Nederlandse staat het koloniaal gezag overnam, erfde zij ook dit gat.
De oplossing kwam in 1828, toen gouverneur-generaal Van den Bosch op aandringen van kooplieden en met instemming van koning Willem I de Javasche Bank oprichtte, naar het model van De Nederlandsche Bank. De bank, opgericht op 24 januari 1828 met haar hoofdkantoor in Batavia, kreeg een dubbele functie: enerzijds was zij circulatiebank en uitgever van het papiereld voor de kolonie, anderzijds was zij commerciële bank die krediet verleende aan cultuurondernemingen en particulieren. Haar eerste kantoren buiten Batavia opende ze in 1829 in Semarang en Surabaya; in de decennia daarna volgden vestigingen in vrijwel elke grotere stad van de archipel.
Het geldwezen in de vroege koloniale periode was chaotisch. Er circuleerden te veel koperen munten van lage kwaliteit, terwijl zilver schaars was. De Javasche Bank moest orde scheppen in dit systeem. Dat lukte slechts geleidelijk: de eerste 45 jaar van haar bestaan werden later door tijdgenoten zelf omschreven als een ‘lijdensgeschiedenis’, omdat het koloniale bestuur onvoldoende begrip had van hoe een centrale circulatiebank behoorde te functioneren. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw stabiliseerde de bank haar positie.
Rond haar groepeerden zich andere financiële instellingen: de Nederlandsch-Indische Handelsbank (opgericht 1863), de Nederlandsch-Indische Escompto Maatschappij, en de Koloniale Bank (1881), die zich richtte op de financiering van de suiker- en koffiecultuur. Samen met de Nederlandsche Handel-Maatschappij — de NHM, opgericht in 1824 door koning Willem I — beheersten deze instellingen het krediet voor de uitgestrekte plantage-economie.
De Javasche Bank was van meet af aan geen neutraal instituut. Haar presidenten werden benoemd door het koloniale gouvernement. Haar biljetten droegen tot 1933 het portret van Jan Pieterszoon Coen — de VOC-gouverneur-generaal die in 1621 het bloedbad op Banda had aangericht. Pas in 1933 werden de biljetten vervangen door een serie met Javaanse dansers als afbeelding.
Na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 bleef de Javasche Bank aanvankelijk operationeel als circulatiebank van de nieuwe Republiek Indonesië. Een beslissing die bij de Ronde Tafel Conferentie werd genomen en door Indonesische critici al direct als een koloniaal restant werd gezien. In december 1951 kocht de Indonesische overheid de aandelen op. Op 1 juli 1953 trad de wet in werking die de bank omzette in Bank Indonesia. Topposities waren in 1953 nog voor tachtig procent in handen van Europeanen en Indo-Europeanen. De institutionele dekolonisatie van de financiële sector kostte jaren meer dan de politieke.



