Educate Yourself

De zending in Indonesië: bekering als verlengstuk van koloniaal bestuur

Geplaatst in: Geschiedenis
Groepsportret te Balige, Sumatra, Indonesië in 1929. Op de foto staan Batakse kinderen en Friedrich Eigenbrod (met stropdas) en zendingsarts Wilhelm Wagner.Bron Archiv- und Museumsstifting der VEM

In de zeventiende eeuw arriveerden de Nederlanders in de Indonesische archipel niet alleen als handelaren, maar ook als protestanten. Toen de VOC in 1605 het Portugese fort op Ambon veroverde, werden de katholieke priesters verdreven en begon een langdurige protestantse aanwezigheid op de Molukken. De VOC zag religie als een bestuursinstrument: zendelingen mochten hun werk doen, maar onder strikte voorwaarden. De overheid plaatste en verplaatste predikanten naar eigen goeddunken, en evangelisatie was aanvankelijk alleen toegestaan in gebieden die al door de Portugezen waren gekerstend.

Die terughoudendheid had een pragmatische reden. De VOC had gezien dat bemoeienis met islamitische geloofszaken tot onrust leidde en onrust schaadde de handel. Zo bestond er eeuwenlang een officieel beleid van religieuze afzijdigheid dat in de negentiende eeuw door de Nederlandse staat werd overgenomen, maar in de praktijk steeds verder werd uitgehold.

De grondwet van 1848 verankerde godsdienstvrijheid in Nederland, wat ook gevolgen had voor de kolonie: nieuwe protestantse en katholieke organisaties kregen toegang tot de hele archipel. Tegelijkertijd nam in bestuurskringen de opvatting toe dat Nederland een ‘zedelijke taak’ had tegenover de inheemse bevolking — de gedachte die ten grondslag lag aan de latere Ethische Politiek. In die context konden zending en missie zich presenteren als beschavingswerk, en vonden ze in sommige bestuursambtenaren welwillende partners.

De relatie was echter nooit simpelweg harmonieus. Om concurrentie tussen protestantse en katholieke organisaties te beperken, werd artikel 123 in het koloniale wetboek opgenomen: een maatregel die ‘dubbele zending’  (twee christelijke stromingen die naast elkaar in hetzelfde gebied werkten) aan banden legde. De katholieke kerk trok zich hier weinig van aan en omzeilde het artikel regelmatig, tot ergernis van de protestantse zending en de koloniale overheid.

Zendelingen en missionarissen bouwden scholen, ziekenhuizen en weeshuizen. In die weeshuizen belandden ook kinderen van Europese soldaten en hun inheemse concubines: de njai’s. De gedachte was dat deze kinderen bij hun inheemse moeders geen ‘goede christelijke en morele opvoeding’ konden krijgen. Missie-instellingen fungeerden zo als uitvoerders van een koloniaal beschavingsoffensief dat het gezin als norm stelde en de inheemse leefwijze als afwijking definieerde.

De zending mobiliseerde thuis in Nederland ook een breed publiek. Zendingstentoonstellingen — de eerste al rond 1880 — toonden voorwerpen uit de koloniën en spraken over bekering en vooruitgang. Rituele objecten werden als ‘heidens’ gepresenteerd, en het thuisfront doneerde. Veel van die verzamelde objecten belandden in volkenkundige musea, waar ze nu deel uitmaken van debatten over restitutie en het erfgoed van kolonialisme.

Verder lezen

Column     Identiteit     Erfgoed

Racisme: Daar heb jij toch niet mee te maken?

Identiteit     Portret     Interviews

Tara Hetharia: “Om je te kunnen verhouden tot de ander, moet je jezelf bestaansrecht geven”

Column

Column: Indo en Indisch, de gevoelswaarde verandert