Oorsprong van een diaspora
De aanwezigheid van Chinezen in de Indonesische archipel gaat eeuwen terug. Archeologische vondsten wijzen op handel en vestiging al tijdens de Mongoolse invallen in de twaalfde eeuw. Vanaf de vijftiende eeuw kwamen Chinese handelaars in grotere aantallen naar de eilanden, waar ze zich mengden met de lokale bevolking. Er ontstond een Peranakan-cultuur: een vermenging van Chinese, Maleise en Indonesische tradities. De klederdracht, taal en keuken werden onlosmakelijk onderdeel van de Indonesische cultuur.
Toen Jan Pieterszoon Coen in 1619 Batavia stichtte, wierf de VOC massaal Chinese arbeiders voor de aanleg van kanalen en gebouwen. Honger en armoede in de Chinese provincie Fujian zorgden in de decennia daarna voor een migratiestroom van mannen die zich vestigden in de kolonie en kinderen kregen met Indonesische vrouwen. De nazaten van deze gemengde huwelijken werden de Peranakan genoemd: Chinezen die al generaties in de archipel woonden, maar zich zelden volledig geaccepteerd wisten.
Van handelaren tot vreemdelingen
Die afstand kreeg in 1740 een bloedige lading. Toen de suikerprijzen instortten, verloor een groot aantal Chinese arbeiders hun baan. Geruchten deden de ronde dat zij massaal zouden worden gedeporteerd naar Ceylon en onderweg overboord gegooid. Er volgde een opstand in Batavia, die door de VOC werd beantwoord met een bloedbad. Tussen de vijf- en tienduizend Chinezen werden vermoord – bijna twee derde van de gemeenschap. De overlevenden werden verplicht te wonen in aparte wijken zoals Glodok, onder toezicht van een kapitein die namens de VOC de orde moest bewaren.
Onmisbare tussenlaag
De genocide van 1740 toonde de paradox van de Chinese positie. Economisch onmisbaar, sociaal onwenselijk. De VOC kon niet zonder hun handelsnetwerken, geldleningen en belastinginning. Ze vormden de schakel tussen de Europese koloniale elite en de inheemse bevolking. Tijdens het cultuurstelsel (1830–1870) breidden ze hun rol verder uit: zij verpachtten land, exploiteerden tolpoorten en opiumhuizen, en verdienden aan de export. De rijkste onder hen, zoals Oei Tiong Ham, bouwden fortuinen op en onderhielden relaties met sultans en Aziatische vorstenhuizen. Maar hun groeiende welvaart vergrootte de kloof met de inheemse bevolking, die hen als profiteurs begon te zien.
Na de afschaffing van de slavernij in 1860 werden nieuwe groepen Chinese en Indiase contractarbeiders ingevoerd, vaak aangeduid met de vernederende term ‘koelies’. Tegelijk groeide binnen Indonesië een religieus bewustzijn. Teruggekeerde pelgrims uit Mekka brachten een striktere vorm van islam mee, wat de spanningen met de overwegend niet-islamitische Chinezen versterkte.
De politieke keerzijde
Met de invoering van de ethische politiek aan het einde van de negentiende eeuw werd het economisch belang van de Chinezen ondermijnd. Inheemse ondernemers kregen steun en begonnen te concurreren met Chinese handelaren. Religieuze en politieke organisaties als de Sarekat Islam (SI) gebruikten het sentiment van economisch onrecht als mobiliserende kracht. De Chinezen mochten geen lid worden en werden steeds vaker gezien als buitenstaanders.
Na 1918 groeide het aantal anti-Chinese rellen. In Koedoes op Java werden tempels in brand gestoken, nadat rituelen verkeerd waren uitgelegd als spot met de islam. Vergelijkbare incidenten vonden plaats in Solo en Soerabaja. De woede was een symptoom van diepere economische en raciale spanningen.
Staatlozen in hun eigen land
In de koloniale hiërarchie vielen de Chinezen onder de categorie “Vreemde Oosterlingen”, een raciale indeling die hen juridisch op gelijke voet plaatste met de inheemse bevolking, maar sociaal afzonderde van de Europese elite. Hoe lang ze ook in de archipel woonden, inheemse status werd hun ontzegd.
Nederland nam in 1892 het staatsburgerschap van de Chinese gemeenschap in Nederlands-Indië af. De gemeenschap werd stateloos. Ondertussen won het Chinese nationalisme terrein. De regering van Sun Yat-sen en later Chiang Kai-shek bevestigde dat iedereen met een Chinese ouder automatisch Chinees was – het principe van jus sanguinis. Daarmee werden Chinezen in Indonesië, ook na generaties, opnieuw buitenstaanders.
De Japanse bezetting (1942–1945) maakte hun positie nog kwetsbaarder. De Japanners bevoordeelden Indonesiërs, namen Chinese bedrijven over en beschuldigden hen van spionage. De haat tegen alles wat met China werd geassocieerd – gevoed door de Japanse oorlog in China – sloeg over naar de lokale gemeenschap.
De revolutie en het bloedbad van Tangerang
De onafhankelijkheidsstrijd bracht nieuwe hoop, maar ook nieuw gevaar. Binnen de Chinese gemeenschap heerste verdeeldheid. Sommigen steunden hun Nederlandse handelspartners, anderen sloten zich aan bij de Indonesische vrijheidsstrijders. Een kleine groep van linkse Chinezen vocht mee in de Slag om Soerabaja, maar velen probeerden neutraal te blijven – tevergeefs. Ze werden gezien als verraders, collaborateurs of kapitalisten.
De onrust mondde uit in plunderingen, verkrachtingen en moordpartijen, met name tijdens de Bersiap-periode (1945–1946). Het bloedbad van Tangerang geldt als een van de gruwelijkste episoden. Lokale milities, aangewakkerd door honger en wraakgevoelens, vielen Chinese wijken aan, vermoordden honderden mensen en verbrandden hun huizen. Een ooggetuige sprak van “machtswellustige besturen die vrouwen konden verkrachten zonder straf.”
De lange nasleep
Na de revolutie herstelde de Chinese gemeenschap zich moeizaam. Onder Soeharto’s Orde Baru leken de Chinese Indonesiërs verdwenen uit het straatbeeld – achternamen verindonesischt, Chinese scholen gesloten, taal en religie onderdrukt. Toch bleven ze invloedrijk achter de schermen, als ondernemers, adviseurs en financiers. Hun wijken bleven omheind met slagbomen, een symbool van veiligheid én afzondering.
Tijdens de crisis van 1998, die het einde van Soeharto’s bewind markeerde, herhaalde de geschiedenis zich. Plunderingen en moordpartijen troffen opnieuw vooral Chinezen.
En toch bleven zij, zoals altijd, overeind. Hun namen klinken niet in de geschiedenisboeken, maar hun sporen lopen door de markten, bedrijven en steden van Indonesië. Hun verhaal is dat van de onzichtbare ruggengraat van een natie – gewantrouwd, onmisbaar, en nooit volledig erkend.
Tekst: Victor Laurentius



