Onderwijs was in Nederlands-Indië nooit neutraal. Wie scholen bouwde, bepaalde wat kinderen leerden, in welke taal ze dachten en tot welke positie in de samenleving zij werden opgeleid. De koloniale overheid begreep dit en handelde ernaar.
In de vroege negentiende eeuw was onderwijs voor de inheemse bevolking vrijwel afwezig. De VOC had zich er nauwelijks mee bemoeid. Pas met de Ethische Politiek, die rond 1900 werd ingezet, kreeg onderwijs een prominentere rol. Het idee was dat “ontwikkeling” van de inheemse bevolking Nederland’s morele plicht was, maar in de praktijk betekende dit: genoeg opleiding om bruikbare bestuursambtenaren en arbeidskrachten te kweken, niet genoeg om de koloniale orde te bedreigen.
Er bestonden strikte scheidingen. De Europese Lagere School was bestemd voor Europeanen en rijke Indo-Europeanen. De Hollands-Inlandse School bood onderwijs in het Nederlands aan een selecte groep inheemse kinderen. Daaronder stonden volkscholen met onderwijs in de streektaal, met een beperkt curriculum. De taal die je sprak bepaalde mede je kansen, je klasse, je toekomst.
Inheemse intellectuelen zagen dit scherp. Ki Hadjar Dewantara, geboren als Raden Mas Soewardi Soerjaningrat, richtte in 1922 de Taman Siswa-scholen op: een netwerk van onderwijsinstellingen dat buiten het koloniale systeem opereerde en onderwijs verbond met Javaanse cultuur en nationale trots. De koloniale overheid reageerde in 1932 met de Wilde Scholen Ordonnantie, die particulier onderwijs aan vergunningen bond. Massaal protest volgde. De ordonnantie werd ingetrokken, maar de spanning bleef.
Islamitisch onderwijs via de pesantren bleef grotendeels buiten het koloniale schoolsysteem. Juist daardoor kon het een vrijplaats worden voor antikoloniaal denken, zoals ook elders in dit archief beschreven. De Nederlandse overheid keek er met argusogen naar maar greep zelden rechtstreeks in, uit vrees voor onrust.
Na de onafhankelijkheid erfde Indonesië een onderwijs systeem dat was gebouwd op uitsluiting en hiërarchie. Het ontmantelen daarvan kostte decennia. De taalstrijd, de keuze voor Bahasa Indonesia als nationale taal, was mede een reactie op een systeem dat het Nederlands had gebruikt om mensen van elkaar te scheiden. Onderwijs was in de kolonie een instrument van controle. Het verzet ertegen was een van de eerste vormen van nationaal bewustzijn.



