Educate yourself

Ethische politiek: hoe een ereschuld leidde tot het ontwikkelen van de inheemse bevolking

Geplaatst in: Historie
KITLV, inlandse landbouwschool op Java, 1915. Link: http://hdl.handle.net/1887.1/item:784337
Eind negentiende eeuw reflecteerden verschillende West-Europese landen met kolonies op hun verantwoordelijkheden tegenover de gekoloniseerde mensen en gebieden. Het idee ontstond dat het hun taak was om de ‘minder ontwikkelde’ volkeren te helpen, hoe zwaar die taak ook was. Kolonies werden niet meer alleen gezien als wingewesten. Zo ontstond een hoger doel: het zorgen voor ontwikkeling en beschaving, ofwel de ethische politiek.

Journalist Pieter Brooshooft (1845-1921), hoofdredacteur van de Nederlands-Indische krant De Locomotief, verontwaardigde zich over de houding van Nederland ten opzichte van de kolonie. De inheemse bevolking werd onrecht aangedaan, schreef hij. Jurist, publicist en het latere parlementslid Conrad Theodor van Deventer (1857-1915) schreef in 1899 een artikel genaamd De Eereschuld. Hierin stelde hij dat Nederland de gemaakte winsten uit Indië – zijn schatting lag op 7 miljoen gulden – moest teruggeven aan het land in de vorm van onderwijs. Van Deventers visie vormde de basis van het regeringsbeleid.

Troonrede
In de jaarlijkse troonrede reflecteert de Nederlandse koning(in) op het voorgaande jaar en wordt het beleid voor het komende jaar uiteengezet. De troonrede van koningin Wilhelmina in 1901 wordt gezien als het beginpunt van de ethische beleidspolitiek voor Nederlands-Indië. Over deze kolonie zei ze toen het volgende:

Als Christelijke Mogendheid is Nederland verplicht in den Indischen Archipel de rechtspositie der inlandsche Christenen beter te regelen, aan de Christelijke zending op vaster voet steun te verleenen, en geheel het regeeringsbeleid te doordringen van het besef, dat Nederland tegenover de bevolking dezer gewesten een zedelijke roeping heeft te vervullen.”

Dat de focus op de christelijke plicht lag, kwam door de toenmalige minister-president Abraham Kuyper (1837-1920), die de troonrede schreef. Volgens hem had Nederland een morele verantwoordelijkheid tegenover niet-christenen om de rol van voogd te vervullen, ofwel de ‘onderontwikkelde’ inheemse bevolking van Nederlands-Indië te leren over het christendom.

In verband hiermede trekt de mindere welvaart der inlandsche bevolking op Java Mijne bijzondere aandacht. Ik wensch naar de oorzaken hiervan een onderzoek in te stellen. Aan de bepalingen ter bescherming van de onder contract werkende koelies zal gestrengelijk de hand worden gehouden. Naar decentralisatie van bestuur zal gestreefd worden.

De toestand op het noordelijk gedeelte van Sumatra zal, naar Ik vertrouw, bij handhaving van het thans gevolgde stelsel, eerlang tot algeheele pacificatie leiden.”

Nederland voerde op dat moment al 18 jaar een gewelddadige oorlog tegen het onafhankelijke sultanaat Atjeh in Noord-Sumatra. In de troonrede spreekt de koningin de hoop uit op pacificatie, ‘vrede’, ofwel het gebied onder koloniaal gezag krijgen. De beschavingsmissie voortvloeiend uit de ethische politiek had dus niet het indammen van de Nederlandse expansiedrift en uitbuiting tot gevolg. Sterker nog, het Nederlands kolonialisme werd erdoor versterkt en daarmee ook de overheidsbemoeienis.

Uitvoering
In de praktijk betekende de ethische politiek dat er meer geld ging naar het onderwijzen van de inheemse bevolking. Begin twintigste eeuw waren slechts 1500 Indonesiërs Europees opgeleid. Onder gouverneur-generaal Van Heutsz werden volksscholen opgericht. Het aantal Indonesiërs met Europees basisonderwijs groeide aanzienlijk: in 1928 waren dat er 75.000. Vergeleken met de gehele Indonesische bevolking was dat aantal echter relatief laag. In de jaren dertig was 93% van de inheemse bevolking namelijk nog analfabeet. Daarnaast was het onderwijs ingericht op het verkrijgen van goedkoop personeel, gezien de belangrijkste bestuursfuncties alsnog werden uitgevoerd door Europeanen. Sommige Indo-Europeanen waren ontevreden met de ontwikkeling van deze onderwijsinstellingen, omdat zij zich in een tussenpositie bevonden en hier niet altijd in aanmerking voor kwamen. Een deel van de opgeleide Indonesiërs speelde later een belangrijke rol bij de onafhankelijkheid.

Ook werd de infrastructuur en irrigatie aangepakt. De ethische politiek poogde daarnaast de overbevolking op Java te verlichten. Transmigratie van Indonesiërs naar andere gebieden met plantages werd bevorderd.

Trots
Tot de jaren zeventig bestond onder Nederlandse historici het idee dat de morele en ethische doelen van de Nederlandse expansie deze onderscheidde van andere koloniale machten. In een onderzoek van YouGov (2019) gaf 50% van de Nederlandse respondenten aan dat ze de voormalige kolonies meer zagen als iets om trots op te zijn dan als iets om zich voor te schamen. Ter vergelijking: 32% van de Britten, 26% van de Fransen en 23% van de Belgen gaven hetzelfde antwoord. Gezien de retoriek van de ethische politiek is dit een opvallend sentiment.

Educate yourself is een serie artikelen en interviews over de Indische en Molukse geschiedenis. Hoewel het een langdurig gedeelde geschiedenis is, blijft deze in Nederland onderbelicht. Daarom gebruikt MDBP de veelgehoorde kreet ‘educate yourself’ om deze geschiedenis in een wekelijkse serie verder uit te diepen.

Verder lezen

Column     Identiteit

Column: “Mijn oma was een buitenkamper”

Cultuur     Identiteit     Interviews
#podcast

MDBP Podcast: Jinai Looi: “Smaak zou een vak op school moeten zijn”

Column

Column: De onafhankelijkheid van Indonesië heeft ons niet verlost van het koloniale apartheidstrauma