Educate Yourself

Het geluid van geweld – een bespreking van begrippen, bronnen en blinde vlekken

Geplaatst in: Geschiedenis

1. Waarom dit boek ertoe doet

In Het geluid van geweld. Bersiap en de dynamiek van geweld tijdens de eerste fase van de Indonesische Revolutie, 1945-1946 (2022) beloven Esther Captain en Onno Sinke richting te geven in een verhit debat. De timing is veelzeggend: het Rijksmuseum-ruzie over de term Bersiap, roep om onderzoek naar Indonesisch én Nederlands geweld, en groeiende publieke aandacht. Het boek kiest echter niet voor definitieve antwoorden, maar toont juist hoe glibberig de periode is. Drijfzand waarin woorden, tijdvakken en tellingen steeds wegzakken.

2. Afbakening die schuurt

De auteurs kondigen aan de strijdkreet Bersiap in de eerste fase (17 aug. 1945 – 31 mrt. 1946) centraal te stellen, maar verklaren de term pas laat, en vooral om de beperkingen te tonen: Bersiap als slachtoffergebonden Nederlands perspectief. Ook de gekozen einddatum blijft mager onderbouwd. Dat wringt, zeker omdat het boek zelf vermeldt dat al in augustus en september 1945 honderden doden vielen en dat sommige onderzoekers zelfs een tweede Bersiap-fase (1947) signaleren. De lezer mist zo houvast in de kernvraag: wat valt er precies binnen én buiten het onderzochte tijdvak?

3. Reikwijdte: verbreden zonder verdunnen

Verdienstelijk is de oproep tot verbreding: niet alleen Indonesisch geweld tegen (Indo-) Europeanen, Molukkers en Menadonezen, maar óók geweld door Nederlandse, Britse en Japanse actoren en door (Indo-)Europese burgers. Toch blijft de afbakening van slachtoffercategorieën onduidelijk—waar horen bijvoorbeeld Chinese, Timorese of Molukse burgers bij intra-Indonesisch geweld? De lijst van ca. 6.000 geïdentificeerde doden achterin roept daardoor vragen op (onderrapportage Chinese slachtoffers, opvallend lage aantallen op Sumatra en Bali, een laag aantal kinderen terwijl casuïstiek anders doet vermoeden).

4. Bronnen, lacunes en narratief

De auteurs erkennen bronproblemen: beperkte Indonesische toegang, weinig digitalisering, coronajaren. Maar precies daardoor leunt het boek zwaar op bekende (veelal Nederlandse) bronnen, zonder altijd transparant te maken waarom Rode Kruis-persoonsdossiers, overlijdensakten of OSS/NEFIS-archieven niet systematisch zijn benut. De lezer proeft geregeld een richting—een nadruk op continuïteit van koloniaal en Japans geweld als voedingsbodem—waarbij cruciale alternatieve verklaringen (bijv. hongersnood, key-area-beleid, machtsvacuüm door late Britse aankomst en Japanse zelfinternering) onvoldoende analytisch worden doorgetrokken.

5. Begrippenstrijd: revolutie, geweld en pemoeda

Het boek hanteert een breed geweldsbegrip (excessief, spontaan, in opdracht), maar definities en gradaties blijven diffuus. Schokkende casuïstiek (verkrachting, mutilatie) wordt soms naast willekeurig schieten geplaatst zonder duiding in intensiteit, schaal of organisatiegraad. Over de pemoeda—volgens het boek een kernmotor—ontbreekt een diep profiel; één pagina en literatuurverwijzingen volstaan niet om hun sociale herkomst, aansturing en regionale varianten te doorgronden. De juxtapositie Bersiap vs. Berdaulat/revolusi sosial laat terecht zien dat meerdere geweldsregisters naast elkaar speelden, maar de analytische koppeling (wie, waar, wanneer, waarom) blijft te dun.

6. Wat ontbreekt—en wat nu nodig is

Opvallend is de geringe aandacht voor hongersnood en distributiecrises als verklarende factor; terwijl voedselboycots, logistieke sabotage en prijsopdrijving plausibele motoren van escalatie zijn. Evenzo had een duidelijke tijdlijn per regio (met synchroon verloop van acties, boycots, troepenbewegingen) veel verwarring weggenomen. Het boek eindigt met stellingen—Bersiap niet als aparte periode, nadruk op wederkerig geweld, geringe aantallen geïdentificeerden—maar zonder de empirische ruggengraat die de twijfel wegneemt.

7. Eindoordeel

Het geluid van geweld is een noodzakelijke, consciëntieuze tussenstand: het prikt simplificaties door en dwingt tot bredere context. Maar het lijdt onder wankele afbakening, onheldere definities en onbenutte bronmogelijkheden. Het boek zet deuren open—naar systematische lijsten van doden en vermisten (met transparante criteria), naar integrale vergelijking per regio en naar een serieuze weging van honger en beleid. Als vertrekpunt waardevol, als eindpunt onbevredigend. Precies daarom is het belangrijk: het laat zien hoeveel werk er nog te doen is.

Tekst: Victor Laurentius

Verder lezen

Interviews     theater

De Bananengeneratie houdt QiQi van Boheemen een spiegel voor, en dat is confronterend: ‘Ik wilde als wit gezien worden omdat ik me wit voelde’

Cultuur

Madame Butterfly – Een radicale herinterpretatie door Char Li Chung

Geschiedenis

Educate Yourself

Dean Acheson versus Dirk Stikker: diplomatie onder druk