Ingrid de Zwarte (1988) onderzoekt al ruim tien jaar de dynamiek van honger in oorlog en politieke omwenteling. Haar promotie over de Hongerwinter (2019) legde de basis: uithongering als vorm van geweld en machtsuitoefening. In het Indonesische strijdtoneel na 1945 wordt dat pijnlijk zichtbaar.
De Zwarte benadrukt dat uithongering steeds vaker als geweld wordt erkend, maar juridisch moeilijk is vast te stellen. Niet iedereen in een hongersnoodgebied lijdt in gelijke mate: toegang tot voedsel verschilt per groep, positie en plaats. Artsen kunnen bij kinderen sporen van ondervoeding terugzien, maar na herstel vervagen die; schuld en intentie bewijzen blijft lastig. Dat maakt honger tot het ‘stille’ geweld bij uitstek, met talloze naamloze doden.
Tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog was voedselsituatie sterk niet overal gelijk. Geallieerden bevoorraadden voormalige krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden relatief beter; daarbuiten, in afgesloten steden en op het platteland, was de ellende groot. In 1946–1947 rapporteerden autoriteiten rond Batavia soms tot twintig lijken per dag. De gaarkeukens en distributie — overgenomen door NICA en gebaseerd op koloniale inkomens- en etniciteitscategorieën — reproduceerden ongelijkheid: ‘broodeters’ versus ‘rijsteters’, Europese versus ‘inlandse’ toegang.
Hongersnood was een direct gevolg van de Japanse bezetting. Misoogsten, inflatie, corruptie, vervoerstekorten en afgesneden steden maakten voedsel schaars. De Zwarte ziet directe lijnen tussen honger en sociale onrust: oproer, plunderingen en radicalisering. Vergelijkbare patronen speelden in Bengalen (1943), Calcutta (1946) en Frans-Indochina (1944–1945): hongersnood als katalysator van revolutie.
Alle partijen hanteerden voedsel als wapen. Voor republikeinse leiders was de geallieerde herbezetting een oorlogsverklaring. Vanaf oktober 1945 volgden lokale boycots tegen ‘vijandelijke’ stedelijke enclaves; generaal Soedirman intensiveerde vanaf 1946 de blokkades. De introductie van de ORI (republikeins geld) bemoeilijkte handel; prijzen explodeerden — in Batavia steeg rijst binnen weken van drie naar veertien NICA-gulden per kilo, terwijl ongeschoolden circa één gulden per dag verdienden. Maritieme blokkades van Nederlandse en Britse kant hielden de invoer van vitale goederen tegen. Juridisch heette dit geen oorlogsmisdaad, maar feitelijk vergrootte het de kwetsbaarheid van burgers.
Ondanks tekorten sloot premier Sjahrir in 1946 een ruildeal met India: rijst voor textiel — deels propaganda om de republikeinse legitimiteit te onderbouwen. Leveringen stokten echter en logistiek faalde, mede doordat trucks in militair gebruik verdwenen.
Vanwege de voedseltekorten zwommen in 1946–1947 duizenden vanuit Madoera naar Soerabaja, nam het aantal plunderingen toe en groeide de haatgevoelens. Soetan Sjahrir erkende in 1946 zelf de rol van honger in de radicalisering van jeugd en platteland. De Zwarte plaatst dit in een langere lijn: nationalisme en onafhankelijkheidsdrang bestonden al, maar de intensiteit van het geweld werd door wijdverspreide honger aangejaagd.
Honger verklaart niet álles, maar zonder honger is de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog onvolledig begrepen. Ze functioneerde als drukmiddel, als propagandamiddel, als instrument van controle en als vonk voor verzet. Wie in archieven vooral prijzen, rantsoenen en distributiestelsels ziet, mist soms de menselijke laag: de stille doden, de lege keukens, de rijen bij kazernes, de keuze van jongeren om het geweer op te nemen. De Zwarte laat zien dat honger geen bijzaak was, maar een politiek wapen — essentieel om de geweldsorkaan in de jaren 1945-1949 te begrijpen.
Auteur: Victor Laurentius



