De VOC was in de eerste plaats een handelsonderneming, maar ze was ook een militaire organisatie van formaat. Forten, schepen, soldaten en wapens: de infrastructuur van geweld was onlosmakelijk verbonden met de infrastructuur van handel. Zonder het kanon was er geen nootmuskaat.
De VOC bouwde forten door de hele archipel. Sommige, zoals Batavia, groeiden uit tot steden. Andere, zoals Fort Nassau op Banda, waren primair militaire posten bedoeld om de concurrentie buiten te houden, zowel Europese rivalen als inheemse vorsten die hun handelspositie wilden beschermen. De bouw van die forten vereiste arbeid die werd afgedwongen of goedkoop ingekocht.
De wapenarsenalen van de VOC bevatten kanonnen, musketten, buskruit en alles wat nodig was om een klein Europees leger in de tropen op de been te houden. Maar de VOC vocht ook met inheemse bondgenoten en huurlingen, die hun eigen wapens meebrachten. De keris, het asymmetrische Javaanse mes met zijn gedraaide kling, had meer dan een praktische functie: het was een statussymbool, een spiritueel object en een erfstuk. Keris en kanon opereerden naast elkaar in hetzelfde geweldslandschap.
Na de ontbinding van de VOC in 1799 erfde de Nederlandse staat haar bezittingen, inclusief de forten en wapenarsenalen. In de negentiende eeuw werden die uitgebreid en gemoderniseerd. Het Indische leger, het KNIL, groeide uit tot een professionele troepenmacht die niet alleen voor koloniale orde zorgde maar ook als exportproduct diende: Molukse en Javaanse soldaten werden ingezet in andere Nederlandse koloniën en conflictgebieden.
Wat overbleef van dat arsenaal, is verspreid over musea, particuliere collecties en achtergelaten posities in de Indonesische archipel. Nederlandse musea bezitten nog altijd duizenden objecten die in de koloniale periode zijn meegenomen: kerisssen, schilden, vaandels, ceremonieel wapentuig. De discussie over restitutie van die objecten is volop gaande. Indonesië heeft officieel geclaimd; Nederland heeft in een aantal gevallen teruggegeven.
De vraag wat er met die objecten moet gebeuren, is ook een vraag over herinnering. Een keris in een vitrine in Leiden vertelt een ander verhaal dan diezelfde keris in een Javaans familiegeslacht. Wat er van overbleef van de VOC-arsenalen is niet alleen materieel: het is ook de vraag wie de geschiedenis van dat geweld mag vertellen, en waar.

De dolk van Klungkung, een van de objecten die worden teruggegeven aan Indonesië.Bron Nationaal Museum van Wereldculturen



