Terwijl de wereld keek naar de strijd tussen Nederland en de Indonesische Republiek, woedde er binnenin Indonesië een andere oorlog. Sekarmadji Maridjan Kartosuwirjo riep op 7 augustus 1949 de Negara Islam Indonesia uit, de Islamitische Staat Indonesië, in West-Java. De Darul Islam-beweging die hij leidde, zou meer dan tien jaar lang een bloedige opstand voeren tegen de Indonesische staat.
Kartosuwirjo was geen buitenstaander in de nationalistische beweging. Hij had in de jaren dertig nauw samengewerkt met Soekarno en andere leiders. Maar hij botste met hen over de vraag wat voor staat Indonesië moest worden. Voor Kartosuwirjo was een seculiere republiek een verraad aan de moslimbevolking die de ruggengraat van het verzet had gevormd.
Toen Nederland in 1948 bij de tweede politionele actie grote delen van Java heroverde, trokken de troepen van de Republiek zich terug. Kartosuwirjo weigerde te wijken en bleef met zijn Tentara Islam Indonesia, zijn islamitische leger, actief in de bergen van West-Java. Hij zag de terugtrekking van de republikeinse troepen als lafheid en beschouwde zichzelf voortaan als de ware leider van het verzet.
Na de onafhankelijkheid in 1949 weigerde hij zijn troepen te ontbinden. Integendeel: de Darul Islam breidde zich uit naar Sulawesi en Aceh, waar lokale grieven voeding gaven aan de beweging. In de jaren vijftig beheerste Kartosuwirjo grote delen van het platteland van West-Java. Dorpen werden belegerd, boerenbelastingen geïnd, religieuze wetten opgelegd.
Het Indonesische leger versloeg de beweging uiteindelijk in 1962. Kartosuwirjo werd gevangengenomen en geëxecuteerd. Maar de Darul Islam verdween niet. De netwerken, de ideologie en de aantrekkingskracht van een islamitische staat bleven ondergronds voortbestaan en doken decennialang later opnieuw op in andere vormen.
In Nederland is deze episode vrijwel onbekend. Ze laat zien dat de Indonesische onafhankelijkheid niet het einde van het geweld was, maar het begin van een nieuwe, interne strijd over de ziel van de natie.



