De naam Louis Einthoven zegt velen vandaag weinig, maar zijn invloed op het Nederlandse staatsbestel is nog altijd voelbaar. Als oprichter van wat later de AIVD zou worden, legde hij de fundamenten van de moderne veiligheids en inlichtingendienst. Zijn levensverhaal is dat van een Indische jongen die uitgroeide tot een van de machtigste – en tegelijk meest omstreden – ambtenaren van de twintigste eeuw.
Louis Einthoven (Soerabaja, 1896) was zoon van een directeur Binnenlands Bestuur in Nederlands-Indië en behoorde daarmee tot de koloniale elite. Na het overlijden van zijn moeder groeide Louis op in Nederland, onder de hoede van twee invloedrijke ooms: de Nobelprijswinnaars Christiaan Eijkman en Willem Einthoven. Louis ging rechten studeren in Utrecht, gevolgd door een specialisatie Indisch Recht in Leiden, waar hij onder invloed kwam van het gedachtegoed van Coen van Deventer, die pleitte voor een ethische politiek en zelfstandigheid voor Indië.
Einthoven zag zichzelf als idealist, overtuigd dat Nederland een morele verplichting had tegenover zijn kolonie. Tegelijkertijd geloofde hij in orde en gezag. In zijn ogen was vooruitgang alleen mogelijk onder sterk leiderschap, een overtuiging die hij later in praktijk zou brengen als politiechef én inlichtingenman.
Na zijn studie keerde Einthoven terug naar Indië, waar hij aan de slag ging als jurist en maakte er kennis met de politiële opsporingsdiensten. De communistische opstand van 1926, die door effectief spionagewerk werd neergeslagen, was voor hem een ‘wake-up call’. Het was een inzicht dat zijn latere loopbaan zou bepalen.
Naast zijn juridische werk hield hij zich bezig met sociale hervormingen, waaronder de afschaffing van de beruchte ‘poenale sanctie’, die werkgevers toestond hun arbeiders lijfstraffen te geven.
In 1933 werd Einthoven hoofdcommissaris van politie in Rotterdam. Hij moderniseerde het korps en trad hard op tegen misdaad, stakingen en communistische agitatie. Zijn methoden – massale arrestaties en deportaties van Chinese bewoners van Katendrecht – riepen zowel bewondering als afschuw op. Hij combineerde sociaal inzicht met autoritair optreden, wat hem de reputatie van meedogenloze hardliner bezorgde.
Ondanks zijn waarschuwingen tegen het oprukkende nationaalsocialisme in de jaren dertig, richtte hij in 1940, samen met Jan de Quay en Hans Linthorst Homan, de Nederlandse Unie op – een beweging die een ‘gematigd alternatief’ voor de NSB moest vormen. De Unie werd door de Duitsers verboden, en Einthoven belandde in 1942 in gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel. Zijn bevrijding door de geallieerden in 1944 betekende een nieuwe start, maar zijn rol in de Unie zou hem blijven achtervolgen.
Na de oorlog weigerde Einthoven een ministerspost, maar bouwde – gesteund door de Britse en Amerikaanse geheime diensten – de Nederlandse veiligheidsstructuur op. Als hoofd van het Bureau Nationale Veiligheid, later de Binnenlandse Veiligheidsdienst, werkte hij van 1945 tot 1961 aan een hecht netwerk dat het communisme moest bestrijden. Zijn dienst droeg in die beginjaren zijn persoonlijke signatuur: gereformeerd en met een koloniaal dna.
Einthoven was een complexe figuur: idealist én machtsmens, progressief én autoritair. Toen hij in 1979 overleed, liet hij een erfenis achter die nog steeds voortleeft in de AIVD: de overtuiging dat vrijheid niet zonder waakzaamheid kan bestaan.
Auteur: Victor Laurentius



