Aan het einde van de negentiende eeuw veranderden twee grondstoffen de economie van Nederlands-Indië ingrijpend: rubber en tin. Beide waren al aanwezig in de archipel, maar de opkomst van de automobielindustrie in Europa en Amerika deed de vraag naar rubber explosief stijgen, en de tin die op de eilanden Bangka en Belitung voor de kust van Sumatra werd gewonnen bleek van strategisch belang voor de wereldeconomie.
Rubber werd aanvankelijk gewonnen uit wilde rubberbomen, later steeds meer geplant op uitgestrekte monocultuurplantages op Sumatra en Java. De Agrarische Wet van 1870 had de weg vrijgemaakt voor particuliere westerse ondernemers. Op Sumatra werden naast tabak ook koffie- en rubberplantages aangelegd, waarvoor dezelfde arbeidsstructuur gold als in Deli: contractarbeiders onder de poenale sanctie, geworven met voorschotten en gevangen in schulden. De opbrengsten gingen grotendeels naar Nederland en de aandeelhouders in Amsterdam en Den Haag.
De tinwinning op Bangka kende een langere geschiedenis. Al in de achttiende eeuw exploiteerde de VOC de tinvoorraden op het eiland. Onder het koloniale gouvernement werd de winning geïntensiveerd, met als belangrijkste instrument Chinese contractarbeiders die in erbarmelijke omstandigheden werkten. Bangka en het nabijgelegen Belitung leverden samen een aanzienlijk deel van de wereldtinproductie en doen dat tot op de dag van vandaag. De mijnbouw sloeg diepe wonden in het landschap: nog steeds is Bangka bedekt met kraters en uitgeputte grond als erfenis van eeuwen koloniaal en postkoloniaal mijnbouwkapitalisme.
De economische structuur van de kolonie was van begin af aan ingericht om winst naar Nederland te sturen. Dat bleek ook na de onafhankelijkheid in 1949: in de beginjaren vijftig leverde het Nederlandse bedrijfsleven in Indonesië jaarlijks een bijdrage van circa acht procent aan het Nederlandse nationale inkomen. De Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM), dochter van de Koninklijke en Shell, was het grootste industriële bedrijf in Indonesië. Vijf grote handelsfirma’s — Borsumij, Internatio, Jacobson van den Berg, Lindeteves en Wehry — domineerden de invoerhandel. En drie Nederlandse banken controleerden het financiële stelsel.
Die structuur eindigde abrupt op de eerste dagen van december 1957, toen Indonesische vakbondsmensen, gelieerd aan de communistische PKI, spontaan Nederlandse bedrijfspanden bezetten. Soekarno nam de verantwoordelijkheid over en plaatste de bedrijven onder legertoezicht. Op 31 december 1958 werden meer dan 700 Nederlandse ondernemingen genationaliseerd. Naar schatting 35.000 Nederlanders verlieten Indonesië in de maanden die volgden. Wat in de Nederlandse herinnering als ‘Zwarte Sinterklaas’ is blijven hangen, was in Indonesisch perspectief de langverwachte economische dekolonisatie: het afschudden van een structuur die decennialang de rijkdom van de archipel naar Europa had gedirigeerd.



