Theatervoorstelling ‘Gelukzoekers op Sumatra’ is geïnspireerd op aanstootgevende romans die de koloniale wreedheid beschreven

Geplaatst in: Boeken, theater
Foto: Piek

De theatervoorstelling Gelukzoekers op Sumatra laat de onderbelichte kant van het Nederlands kolonialisme in Indonesië zien. De voorstelling is vanaf 5 januari t/m 1 april te zien door heel Nederland. Gelukzoekers op Sumatra is geïnspireerd op de romans Rubber en Koelie van Madelon Székely-Lulofs. De voorstelling is van dezelfde makers als De tolk van Java en Lichter dan ik. 

Terwijl in Europa de roaring twenties hoogtij vieren, komt een jong echtpaar haar geluk beproeven op de plantage in Sumatra. Tegelijkertijd komen Roeki en Karminah hier werken, gelokt door valse beloftes. Al snel blijken zij als contractarbeiders vast te zitten in een systeem van uitbuiting en onderdrukking. Aanvankelijk gaan de rubberprijzen skyhigh en feesten de bewoners erop los. Totdat de prijzen instorten. Terwijl het oerwoud wordt vernietigd – het begin van de  grootschalige ontbossing die nog altijd gaande is – volgt onherroepelijk het verval op de plantage. Uiteindelijk blijkt iedereen bedrogen uit te komen.

Geïnspireerd op de in die tijd scandaleuze romans Rubber (1931) en Koelie (1932) van Madelon Székely-Lulofs, een schrijfster die haar tijd ver vooruit was, duikt Gelukzoekers op Sumatra in een vaak geromantiseerd verleden.

Tekst gaat verder onder de video

Zo beschrijft Korthals Stuurman Theaterbureau de voorstelling. Maar wat maakte deze romans van Székely-Lulofs zo aanstootgevend?

Rubber
In haar debuutroman Rubber legde ze de praktische gang van zaken op de rubberplantages in Deli, Sumatra vast. Zo schreef Székely-Lulofs over koelies, ongeschoolde contractarbeiders, die als slaven werden behandeld. Ook omschreef ze hoe de plantagehouders zondigden met lust, alcohol en overmatig geld uitgaven, en bovendien ongehuwd samenwoonden met hun njai’s, die ze slecht behandelden. Vanwege het onthullende karakter kreeg het boek veel kritiek in Nederland en Nederlands-Indië. Zo schreef het literaire tijdschrift Den Gulden Winckel dat schrijvers telkens het ‘zedelijk verval’ in Nederlands-Indië aanhalen, waar blijkbaar alle Nederlanders in de kolonie aan ten onder gaan, in plaats van te kijken naar de wonderen van het land.

Maar niet de visie van dat geweldig-somber oerwoud, niet het mysterie van dat verborgen boschleven, niet de rijkdom van Deli heeft de schrijfster geboeid, doch wel het maatschappijtje der blanken en hun wederwaardigheidjes. De achtergrond voor dit gekrakeel, dit laag bij de grondsche gedachtenleven en deze belangstellinkjes zou evengoed of beter de Pijp te Amsterdam kunnen zijn.”

– Emmy van Lokhorst, in Den Gulden Winckel (1932)

Koelie
Haar tweede roman Koelie laat zien hoe Javanen op doortrapte wijze werden geronseld als contractarbeiders voor de rubberplantages op Sumatra. De hoofdpersoon wordt een tijdelijk goed leven voorgespiegeld, waarna hij kan terugkeren in rijkdom. In werkelijkheid wordt hij echter uitgebuit en met geweld in toom gehouden. Het boek beschrijft de koloniale wreedheid vanuit het oogpunt van de Indonesiërs. Madelon Székely-Lulofs was geboren en getogen in Nederlands-Indië. Het was haar uit Hongarije afkomstige man die haar met zijn blik van buitenaf anders deed kijken naar de dagelijkse praktijk op de rubberplantages, zo vertelde ze aan Den Gulden Winckel.

Want weet u wat de meeste perkara’s [geschillen, red.] veroorzaakt in Indië? Het misverstand tusschen de twee rassen; daartoe is veel terug te brengen van gepleegde moorden b.v.

Hoe zijn de honderden koelies in bedwang te houden door één enkelen assistent? Door kennis of door kracht.”

– interview met Székely-Lulofs, geschreven door G.H. ‘s-Gravensande in Den Gulden Winckel (1932)

Verder lezen

Identiteit     Interviews
#podcast

MDBP Podcast met Fenmei Hu: “Ik wil niet meer dat Hanky Panky Shanghai wordt gezongen in de klas”

Cultuur

Indische fietstour laat sporen van het koloniale verleden in Den Haag zien

Boeken     Column

Column: Schrijven over familie laat je voelen dat je ergens thuishoort, zo ervaarde André Nuse