In Twee moeders. Japanse kampen en Bersiap (Uitgeverij Ginkgo) reconstrueert Rob Bouwman (1940–2020) zijn vroege jeugd in Nederlands-Indië, een periode die zijn leven blijvend tekende. Geboren in Soerabaja, groeide hij op binnen een Indische familie die tijdens de Japanse bezetting in kamp Lampersari bij Semarang terechtkwam. Daar leefden vrouwen en jonge kinderen onder erbarmelijke omstandigheden in overbevolkte kamponghuisjes en een oude school.
Bouwman droeg het boek op aan zijn twee moeders: zijn biologische moeder Doortje, die in 1945 door honger en ziekte overleed, en haar zuster Ans, die zijn zorg op zich nam. Jarenlang bleef Doortje voor hem een vage figuur, een naam zonder gezicht. Pas toen hij haar oorlogsdagboeken vond, kreeg het verleden contouren. Uit die notities groeit een portret van een vrouw die vocht tegen uitzichtloosheid, en van een kind dat te jong was om te begrijpen, maar oud genoeg om te herinneren.
De bevrijding die geen bevrijding was
Het boek biedt een scherp ooggetuigenverslag van wat volgde na 15 augustus 1945, de dag waarop Japan zich overgaf. In kamp Lampersari drong het nieuws pas op 23 augustus door. De opluchting was van korte duur. Met de komst van geallieerde voedselhulp verbeterde het rantsoen plotseling, wat bij de omringende Indonesische bevolking tot woede leidde. De markten gingen dicht voor Europeanen, die hun toevlucht zochten tot ruilhandel. Wie betrapt werd bij het zogenaamde gedekken, riskeerde zware straffen.
Bouwman beschrijft hoe de verhoudingen kantelden: bevrijding ging over in angst. Op 30 september keerde hij terug naar Soerabaja, destijds het epicentrum van geweld. In sobere, indringende taal schetst hij de escalatie van de Bersiap-periode: het vlagincident bij het Oranjehotel, het plunderen van Japanse wapenvoorraden door de pemoeda’s, het Goebeng-bloedbad, en de vurige radio-oproepen van Boeng Tomo tot een voedselboycot.
Zijn beschrijving van “Bloedige maandag” – 15 oktober 1945 – behoort tot de meest aangrijpende passages:
“Op straat rijden vrachtwagens met geboeide Nederlandse mannen. Pelopors met bamboe roentjings springen schreeuwend van de laadklep. Alles wat ze te zeggen hebben, schreeuwen ze zo hard dat je hun huig ziet bewegen. De haat gloeit in hun ogen.”
De toon is niet beschuldigend, maar verwonderd: die van iemand die als kind getuige was van een wereld die in elkaar stortte.
Niet zwart-wit
De familie Bouwman vond tijdelijk onderdak in het beschermingskamp Soemobito, een plek die de auteur omschrijft als een “vorm van gijzeling”. De omstandigheden waren miserabel; het sterftecijfer liep op tot zeven doden per dag, vooral door hongeroedeem. De beschrijving van dat stille lijden is sober en precies. Uiteindelijk keerde hij terug naar Soerabaja, waar de rust slechts schijn was.
Twee moeders is in de eerste plaats een poging tot verzoening: met het verleden, met de herinnering aan een moeder die hij nauwelijks kende, en met de geschiedenis die zijn jeugd verwoestte. De vondst van Doortjes dagboeken geeft hem een stem, en via haar krijgt ook de vergeten generatie van vrouwen in de Japanse kampen hun menselijkheid terug. Bouwman kiest niet voor sentiment, maar voor helderheid. Hij begrijpt, zonder te vergoelijken. Zijn verslag van de Bersiap – de gewelddadige Indonesische revolutie van 1945-1946 – is doorleefd, niet ideologisch. Hij beschouwt het beroemde vlagincident niet als heroïsche daad, maar als “een roekeloze provocatie door de Nederlanders”. Die nuance maakt het boek waardevol: de lezer ziet het Indische verleden niet in zwart-wit, maar in de grijstinten van menselijke overleving. Het resultaat is een boek dat tegelijk persoonlijk en historisch is, een Indisch getuigenis dat zich kan meten met de memoires van Rudy Kousbroek of Beb Vuyk.
Rob Bouwman schreef geen aanklacht, maar een herinnering die blijft hangen.
“Twee moeders. Japanse kampen en Bersiap” (herziene druk, 2016) – Uitgeverij Ginkgo.
Tekst: Victor Laurentius



