Column: Beri-beri en het Oost-Indische leger

Geplaatst in: Column
tropenmuseum*

Vilan van de Loo is onderzoekster en schrijfster. Haar interesse gaat uit naar het oude koloniale Indië. Daar schrijft ze bij voorkeur haar boeken over. Ze is ook initiatiefnemer van De Indische Schrijfschool, waarmee ze mensen helpt hun verhaal op papier te zetten. Elke week verschijnt er een nieuwe column van haar hand.

“Wat is beri-beri en welke maatregelen kunnen tegen haar genomen worden?” Die vraag stelde het Indisch Militair Tijdschrift in 1886. Een belangrijke vraag. Het antwoord was vooralsnog: niets.

Dat was beroerd genoeg, gezien de situatie. Beri-beri is, weten we nu, een aandoening die wordt veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1. Toen moesten militairen naar het hospitaal, de verpleging kostte handenvol geld en zo stegen de kosten van het Oost-Indische leger nogal, en de Nederlandse regering vond het al zo duur. In 1885 en later werden vooral gevallen in Atjeh aangetroffen, waar juist alle mankracht nodig was. Ook dwangarbeiders liepen de ziekte op.

Het was een ondermijnende factor in de koloniale onderneming. Die berustte op een actief en paraat leger. Dat was er dus niet. Of niet genoeg.

Ik raakte nieuwsgierig naar beri-beri toen ik er iets over las in de biografie van Atjeh-pastoor H.C. Verbraak (1835-1917). Een militair schrijft over de naastenliefde van deze pastoor. Juist daardoor voelde ik iets van de ellende van die diagnose. Je ligt in het ziekenhuis. Veel hoop is er niet. Maar dan komt de pastoor:

Plotseling duikt een zwarte gestalte voor mij op en vraagt met zachte stem: “Wat is het mijn jongen? Gevoelt ge u benauwd? Wacht, ik zal je even helpen?” En met een handigheid, die alleen practijk en toewijding kunnen doen aanleeren, werd ik in een gemakkelijke houding gelegd. Toen volgden, met een stem die me op dat oogenblik zoo wel deed, zulke troostende woorden en zulke mannelijke taal, dat het mij als electriseerde en de hoop op genezing weer terugkwam.”

Pastoor Verbraak was er: met, voor en tussen de zieken. Hij kon ook zelf besmet raken en eraan sterven, veronderstelde men, want veel was toen niet bekend. Een behandeling was er niet, dat wil zeggen niet een die met zekerheid werkte. Patiënten werden naar een beri-beri ziekenhuis gebracht (als daar plaats was), ze kregen ‘krachtig voedsel’ te eten en cognac te drinken. Ook waren er inwrijvingen met kamferspiritus. Verder was het hopen en bidden, en de gelukkigen hadden pastoor Verbraak. Ik neem aan dat dwangarbeiders buiten deze luxe-behandeling vielen.

Het was kortom voortmodderen. In de koloniale jaarverslagen van eind negentiende eeuw komt het vaak voorbij: hier beri-beri, daar cholera, een hospitaal bijgebouwd of uitgebreid, minder werd het nooit.

Pas in 1896 kwam het verlossende woord. Medisch officier dr. С Eijkman weet aan te tonen dat te eenzijdig eten vatbaar maakte voor beri-beri. Met de invoering van ongepelde rijst week (inderdaad) de beri-beri in Indië. Voor die tijd, tenminste.

*Link naar afbeelding

Verder lezen

Column

Column: Hoe koloniaal denken, wit privilege en witte onschuld doorwerken

Boeken     Column

Column: Schrijven over familie laat je voelen dat je ergens thuishoort, zo ervaarde André Nuse

Column

Column: Kapitein der Chinezen vormde schakel tussen gouvernement en Chinese gemeenschap