“Jij bent helemaal geen echte Chinees”

Geplaatst in: Identiteit, Column
Privéfoto / Louisa in de gele jurk

Louisa van der Elburg (1972) werd als Chinees meisje uit Indonesië geadopteerd. Haar adoptiemoeder is Chinees-Indonesisch, haar vader Nederlander. “Mijn identiteit blijft complex.” Voor Meer Dan Babi Pangang schreef ze deze column.

Naarmate ik ouder word, realiseer ik me steeds vaker dat ik nergens echt bij hoor of thuis ben. Het is een beetje als een knellende schoen, waarvan je het ongemak pas ervaart als je de schoen uitdoet.

Ik kijk naar foto’s van toen en weet niet goed wie dat kleine Chinese meisje uit Indonesië was. Nog steeds weet ik het antwoord niet echt. Ik kwam in de jaren zeventig als driejarige door adoptie naar Nederland en groeide op bij een Chinees-Indonesische moeder (uit de groep van de Peranakan-Chinezen ofwel de koloniale elite) en een Hollandse vader.

Maakte mij dat Indisch, ik wenste altijd vurig van wel. Wieteke van Dort aka tante Lien kwam bij ons over de vloer. Mijn oma knipte haar haar. Vraag me niet waarom. En Wieteke had altijd prachtige Indische verhalen. Over haar jeugd in het huis met de waringin boom. Mijn oma liet foto’s zien van haarzelf als klein meisje, met blonde klasgenootjes en een witte juf. Dat was allemaal in Nederlands-Indië.

Indisch waren wij echter niet. Ik herinner me dat mijn oma zich een keer op een bepaalde manier gekleed had. Haar broer merkte toen op dat ze er nogal – hij liet even een stilte vallen – “Indisch” uitzag. Dat was niet bepaald bedoeld als compliment.

Als kind dacht ik me Nederlands te voelen. Het waren altijd bepaalde momenten die mij deden beseffen dat ik dat niet was. Een collega die op mijn opmerking dat ik niet van het vak geschiedenis hield, antwoordde: nee maar jij bent natuurlijk alleen geïnteresseerd in die van je zelf (…) De blikken van omstanders als ik mijn muts afdeed bij een koek-en-zopie-tent tijdens een schaatstocht (in de jaren 70-80 waren nog weinig Aziaten op het ijs te vinden).

De dame op een oer-Hollandse verjaardag die – toen mijn Indonesische vriendin en ik voor het raam stonden – riep: “die zwartjes laat je er toch niet in!”.

Mijn Nederlandse oma (die van adel was) had het niet zo op met ‘buitenlanders’ (alles met een kleur, maar ook die rotmoffen). Ze hanteerde een etnische hiërarchie van hoog naar laag. Vraag me niet hoe die eruit heeft gezien. Ook had ze een arts als broer die te maken had met koloniale geneeskunde en een rapport had uitgebracht dat niet vleiend was voor Indonesische artsen en bovendien van racistische vooroordelen was doortrokken. Dat superioriteitsgevoel, dat is wellicht iets wat ik altijd gevoeld heb bij hen. Ik hoorde overigens dat deze man de laatste jaren van zijn leven teerde op doperwten in blik en potjes appelmoes.

Hoezeer de Chinezen ook trots zijn op hun afkomst en etniciteit, noch mijn oma noch mijn moeder heeft dat op mij kunnen overbrengen. Ik had al vroeg door dat je beter geen Chinees kon zijn in Nederland en ook niet in Indonesië. Zo mocht ik in de jaren 80 niet mee op rondreis door Borneo met mijn Nederlandse vader, met als argument dat ik er te Chinees uitzag en dat men vijandig was jegens mensen met een dergelijk uiterlijk.

In Nederland had ik ook moeite met mijn Chinees zijn. En ik niet alleen. In mijn buurt woonde een Chinees-Indonesisch artsengezin, waarvan de zoon ruzie kreeg met de Nederlandse buurjongen. Hij riep: “je mag me alles noemen, maar geen Chinees” en draaide toen helemaal door (hij is uiteindelijk wel arts geworden).

Fascinerend eigenlijk dat een etnische identiteit ook als scheldwoord gebruikt kan worden.

Privéfoto

Ik wilde niet gezien worden als horeca-Chinees die zijn omzet in de Rotterdamse casino’s witwaste of – erger nog – verloor. Ook de associatie met de Peranakan-Chinezen voelde niet goed, aangezien mijn ouders geen arts, tandarts of ingenieur waren. Mijn moeder heeft wel rechten gestudeerd zoals het hoorde, alleen is ze uiteindelijk schoonheidsspecialiste geworden en mijn pa heeft het gelaten bij een poging tot een universitaire studie. Ook bij de “echte” Chinezen (niet uit Indonesië) viel ik niet in de smaak. Immers, ik sprak hun taal niet en had geen notie van hun cultuur. Ik weet nog goed dat een Chinees meisje, al kauwend op een snoepje, mij aankeek en zei: maar jij bent helemaal geen echte Chinees. Dat vond ik toen trouwens een groot compliment.

De zogenaamde voordelen van het Chinees zijn konden mij niet boeien. De diamantair in de Kipstraat in Rotterdam wilde het liefst Chinese meisjes in dienst. Zij werkten hard en waren betrouwbaar. Van mijn nichtje begreep ik dat de grote advocatenkantoren ook graag Chinese advocaat-stagiaires in dienst namen. Waarschijnlijk vanwege dezelfde kwaliteiten. Dit terwijl ik op mijn werk luie Indo werd genoemd.

Ik realiseer me nu dat ik me jarenlang heb geschaamd voor mijn Chinees-zijn.

Voor alles waar het Chinees-zijn voor stond, dat alles was ik niet. Althans, zo voelde dat. Mijn identiteit blijft complex. De wirwar aan culturen en het ogenschijnlijke gebrek aan acceptatie spelen daarin vast een rol.

Bij Oprah Winfrey was ooit een wit iemand die ervan overtuigd was dat hij met de verkeerde kleur geboren was. Misschien heeft die aandoening wel een officiële naam en zo ja, dan lijd ik daar ook aan. Inmiddels valt er overigens goed mee te leven.

Verder lezen

Interviews

Best of both worlds

Identiteit

Ik ben een wereldburger

Culinair

Dim Sum is hartverwarmend!

Menu