Inez Schelfhout: “In behandeling gaan kan een taboe doorbreken”

Geplaatst in: Identiteit, Interviews
Waarom kun je last krijgen van een oorlog die al was afgelopen toen je zelf nog geboren moest worden? Inez Schelfhout (zelf derde generatie Indisch), verbonden aan ARQ Centrum ‘45 legt het uit hoe trauma’s kunnen doorwerken in volgende generaties.

De Japanse bezetting, de Bersiap-periode en de migratie naar Nederland hebben bij de mensen uit Nederlands-Indië diepe sporen nagelaten. Maar onder invloed van hun ouders kunnen ook hún kinderen, de Indische naoorlogse generatie, klachten ontwikkelen zonder dat ze het verband leggen. Inez Schelfhout is als GZ psycholoog i.o. tot klinisch psycholoog aan ARQ Centrum ‘45 verbonden. Dit is een landelijk centrum voor diagnostiek en behandeling van psychotraumaklachten en biedt onder andere hulp aan mensen die zijn opgegroeid in een gezin met ouders die door oorlog en geweld getraumatiseerd zijn.

Welke groepen vallen onder de naoorlogse generatie?

Als het de Indische populatie betreft, dan vallen over het algemeen alle mensen die geboren zijn ná 15 augustus 1945 onder de noemer ‘naoorlogse generatie’.  Maar bij elke individuele casus bepaal je opnieuw wat de achtergrond is. Iemand moet geboren zijn nádat de strijd voorbij was. Dus als ouders in een Japans interneringskamp zaten en na de capitulatie van Japan gerepatrieerd waren, dan geldt 15 augustus 1945.  Als ouders echter voornamelijk geleden hebben onder de Bersiap dan geldt 1949 als datum.

Waardoor kunnen er problemen ontstaan?

In voormalig Nederlands-Indië was er sprake van een reeks traumatische gebeurtenissen: niet alleen de Japanse internering, maar ook de Bersiap-periode en de migratie naar Nederland kunnen aan traumatisering hebben bijgedragen. De naoorlogse generatie met Indische achtergronden hebben te maken met etnische en cultuurverschillen. Dit stelt een bijzondere opgave aan de identiteitsontwikkeling. Ze voelen zich in Nederland ‘anders’, terwijl ze er wel geboren zijn. Ook de zogenoemde totoks, Indische Nederlanders met een Europese achtergrond.

Er zijn uiteraard ook gezinnen geweest waar veel positieve waardering is geweest voor de eigen Indische achtergronden.

De vuistregel is vaak: hoe krampachtiger de aanpassing in Nederland is geweest, des te meer de Indische achtergronden ontkend moesten worden. Als kinderen zich dan juist wilden interesseren in de Indische achtergrond kon dit stuiten op weerstand, omdat ouders zich juist met moeite aan het verleden hadden willen ontworstelen. Binnen de Molukse gemeenschap heeft men zich meestal sterk aan de eigen cultuur gehouden. Maar bij die bevolkingsgroep is het zeer ingewikkelde dat ze in kampen terecht kwamen na de oorlog en buiten de samenleving werden gehouden. De tweede generatie is veelal geboren in die kampen.

Kinderen kregen enerzijds te maken met ouders die verlangden naar Indonesië, maar waarbij de geschiedenis en het verleden geen plek kon hebben in het gezinsleven. In veel gevallen geldt dat in het ene gezin er soms (té) veel over gesproken werd en bij het andere gezin er juist helemaal niet over gesproken werd, maar het leed van de ouders wel voelbaar aanwezig was. Hierdoor kunnen kinderen met veel vragen achterblijven. Voor een kind kan dit allebei heel lastig zijn. Óf er kan sprake zijn van teveel belasting, kinderen krijgen verhalen te horen waar ze nog helemaal niet aan toe zijn óf er kan ook een drukkend familiegeheim zijn, waarover werd gezwegen. Kinderen zijn ontzettend gevoelig voor sferen en voelen heel goed aan als er iets speelt wat niet uitgesproken wordt.

Het is vervolgens voor kinderen lastig om daar vragen over te stellen, omdat ze de ouders geen pijn willen doen of bang zijn voor de boosheid van de ouders. In ons vak noemen we dat ook wel de conspiracy of silence, een collectief zwijgen, soms onbewust, soms bewust. Een soort onuitgesproken wet dat je er niet over praat en er niet over wil praten omdat je anders niet meer kunt functioneren. Kinderen voelen dit aan en gaan in deze wetten mee.

Als de kinderen dan later plots wél gaan praten over die onderwerpen kunnen ze dat erg als verraad naar de ouders beleven en zich schuldig erover voelen.

Wat voor soort problematiek zien jullie en zijn er veel overeenkomsten?

De problematiek kan verschillen omdat het afhangt van vele factoren. Het hangt af van de combinatie van genetische factoren (iemands aangeboren karakter) en het gezin waarin iemand is opgegroeid (omgeving). Er zijn grote verschillen in de soorten gezinnen. Is een of beide ouders getraumatiseerd? Zaten ze in een interneringskamp of waren ze juist ‘buitenkamper’? Heeft iemand moeten vechten bij het KNIL? Was iemand Indo, totok of Moluks? Heeft een ouder er PTSS aan over gehouden of niet? Hoe werd omgegaan met verlies/behoud van cultuur? Ook zijn er verschillen in persoonlijkheden van de ouders en kinderen en hoe er met problemen wordt omgegaan.

Toch zien we, ondanks al deze persoonlijke verschillen ook wat gemeenschappelijke problemen waar mensen van de Indische naoorlogse generatie tegenaan kunnen lopen, bijvoorbeeld een taboe op eigen negatieve emoties zoals verdriet, angst of boosheid. De ouders hebben immers veel ergere dingen meegemaakt in de oorlog. Dus als je als kind bijvoorbeeld een kapotte knie na het vallen van je fiets had, stond dat gevoelsmatig niet in verhouding tot het leed van de ouders. Een kind voelt aan wanneer er wel/niet ruimte is voor de eigen emotie.

Vanuit de Indische cultuur heerste vaak ook een conspiracy of silence. In de naoorlogse maatschappij was er weinig ruimte voor het praten over de traumatische gebeurtenissen uit Indië. Men deed de schouders eronder om er wat van te maken in naoorlogs Nederland. De kinderen groeide in vrijheid op dus die hoefden er niet mee te worden belast, zo heerste de opvatting. Terwijl de angst of het verdriet van ouders wel voelbaar was voor de kinderen werd er vaak niet over gesproken. Dit taboe lijkt bij de kinderen tot schaamte te kunnen leiden. Schaamte voor eigen beleefde emoties en daarmee ook moeite met het ontdekken van de eigen beleving en daarmee gepaarde identiteit.

Er zijn ook gevallen dat er overmatig in het gezin gesproken werd over de erbarmelijke omstandigheden in de oorlog. Ook dit kan leiden tot schaamte en taboe op eigen emoties.

Er kan een sterke loyaliteit naar ouders zijn waardoor het lastig is om eigen autonomie te ervaren. Zo kunnen ze moeite hebben met het aangaan van relaties, nabijheid, het zich hechten aan een ander. Relaties kunnen snel benauwend aanvoelen. Het kan moeilijk zijn de eigen ruimte in een relatie te vragen en aan te geven wat je behoeftes zijn, omdat er soms geen contact is met eigen behoeftes. Ook kan er vaak weer de neiging zijn om heel erg te gaan zorgen voor de ander, zoals vroeger voor vader of moeder.

Hoe kan het dat er vaak geen verband wordt gezien tussen het verleden van Indische ouders/grootouders en de problematiek van de hulpzoekende, zelfs niet door die persoon zelf?

Dit is een veel voorkomend fenomeen. Het komt geregeld voor dat iemand pas in de hulpverlening terecht komt ná het overlijden van een van de ouders of na een ontwrichtende gebeurtenis (zoals een scheiding of verlies van werk) waardoor ineens de beschermende coping tekortschiet en iemand plots niet meer functioneert. Dan nóg is het soms lastig om de relatie te zien tussen oorlogsverleden van ouders en eigen klachten.  Dit kan te maken hebben met de loyaliteit naar ouders toe, zoals ik hierboven vertelde. Immers, in behandeling gaan, betekent toch het taboe doorbreken en ineens wél stilstaan bij de moeilijke emoties van zowel de ouders als ook bij henzelf. Kortom, de belangrijke gezinsregel, de conspiracy of silence gaat doorbroken worden en dat vergt veel moed.

Daarnaast speelt het een rol wanneer iemand minder geleerd heeft om in contact te staan met eigen gevoel en juist hele grote voelsprieten heeft ontwikkeld voor hoe het gaat met iemand ánders. Dan is het goed te begrijpen dat er niet snel een link wordt gemaakt met eigen klachten en oorlogsverleden van ouders. De eigen klachten worden vaak pas (te) laat opgemerkt. En áls ze eenmaal worden opgemerkt dan gaat de loyaliteit en conspiracy of silence er tussen liggen. Bij mijn patiënten is het vaak een oplettende huisarts of psycholoog die de verbanden legt tussen de klachten en oorlogsverleden van ouders.

Soms komen ze er ook zelf mee, omdat hun eigen kinderen, de derde generatie, vragen gaan stellen en zelf op onderzoek uitgaan naar het verleden van grootouders.

In sommige gevallen zijn ze zelf al op onderzoek gegaan. Zodoende gaan ze verbanden leggen. Ook zijn er steeds meer bijeenkomsten, documentaires en boeken geschreven, wat het taboe wat lijkt te doorbreken, waardoor mensen de weg naar de hulpverlening makkelijker weten te vinden. Dan nog moet je in de eerste periode van de behandeling zeer veel aandacht besteden aan het stilstaan bij het doorbreken van dit taboe. Het is niet vanzelfsprekend dat ze meteen de diepte in kunnen gaan en bij henzelf stil kunnen staan.

Wat voor soort hulp kunnen jullie aanbieden?

Er zijn verschillende soorten hulp waar je aan kunt denken. In elk geval is het wenselijk dat mensen, door middel van bijvoorbeeld psychotherapie, de kans krijgen om stil te staan bij eigen emoties en schaamtegevoelens. Als ook het doorwerken van het oorlogsverleden van ouders, daarvan los kunnen weken, en stil kunnen staan bij de eigen jeugd en hoe ze het ervaren hebben om getraumatiseerde ouders te hebben. Vaak bieden we een groepsbehandeling aan om herkenning en erkenning bij elkaar te vinden. ‘Ik ben dus niet de enige die opgegroeid is in zo’n gezin’. Vanwege de conspiracy of silence hebben mensen zich soms erg alleen gevoeld en wist je niet van andere gezinnen dat dit ook speelde. Door ze in groepsverband te behandelen kunnen ze deze taboes samen doorbreken en steun vinden bij elkaar, als ook interpersoonlijke vaardigheden oefenen op elkaar binnen een therapeutische en veilige omgeving. Daarbij kun je denken aan het ervaren van het uiten van onvrede naar de ander, of het uiten van verdriet en schaamte in het bijzijn van een ander. Met het idee dat door dit te oefenen en te ervaren dit zich ook gaat vertalen naar hun eigen sociale omgeving.

Helpt het dat jij zelf van Indische afkomst bent en jij deze groep beter begrijpt dan een Nederlandse hulpverlener?

Ook hier gaat het over doorbreken van taboes. In de eerste periode van het behandelen van de naoorlogse generatie, decennia terug, was het voor psychotherapeuten vaak niet gebruikelijk om eigen ervaringen in te zetten ten behoeve van de behandeling van je patiënt. Terwijl die ervaringen er ruimschoots waren onder de hulpverleners. In de meest recente ontwikkelingen binnen de GGZ merk je dat dit taboe langzaam doorbroken wordt en het nut van de ervaringskennis steeds meer onderkend wordt. Mits deze ervaringskennis op een gerichte wijze wordt ingezet en het doel van de patiënt dient.

Zelf heb ik mijn ervaringskennis als derde generatie geregeld ingezet en heb ik daar positieve ervaringen mee opgedaan.

Ik wil niet beweren dat ik de populatie ‘beter begrijp’ dan een hulpverlener zonder deze achtergrond. Maar door te benoemen dat ik eenzelfde soortgelijke achtergrond heb, maakt soms wel dat een therapeutische relatie sneller aangegaan wordt. Daarna hoeft het ook niet meer over mij te gaan, maar voelt iemand wel sneller een ingang om over eigen emoties te praten, wat natuurlijk het doel is van de therapie. Ook zijn er veel termen en Indische gebruiken, als ook bepaalde historische gebeurtenissen zoals de Bersiap of de verschillende kampen, waar ik snel een beeld bij heb en ook gerichter een interventie op kan doen. Op zich kan de culturele en historische context, waarbinnen we deze populatie behandelen, goed aangeleerd worden voor mensen zonder deze achtergrond.

Bij die derde generatie, waar ik toe behoor, zie je geregeld de attitude dat het er wél over mag gaan. Wij zijn minder belast, doordat het niet om onze eigen ouders gaat (waar je als kind zo afhankelijk van bent), maar omdat het over onze grootouders gaat. Dat is net genoeg afstand om nieuwsgierige vragen te mogen stellen en op onderzoek uit te gaan. En dat zie je in de afgelopen jaren in toenemende mate gebeuren met podcasts, documentaires en interviews. Een mooie ontwikkeling als je het mij vraagt, waar de eerste generatie oorlogsslachtoffers vast trots op zullen zijn.

Verder lezen

Identiteit     Portret

Ter nagedachtenis aan Bo Keller (1928 – 2020)

Cultuur     Identiteit     Column

Columnist Vilan van de Loo: “Ook 75 jaar geleden”

Cultuur     Boeken     Identiteit     Portret

Indië-publiciste Vilan van de Loo: “Altijd kijken naar de context van die tijd”

Menu